Van Dantzigs abstracties doen acteurs verdrinken

De mens is een verdoolde. Een vertrouwde plaats om te blijven heeft hij niet, hij is door God en iedereen verlaten. Eigenlijk zijn de mensen makke schapen of varkens ook, die willoos naar de slachtbank worden gevoerd. De enige plek om te wonen is een eiland.

Choreograaf Rudi van Dantzig schreef en regisseerde voor Toneelgroep De Appel een toneelstuk met de bijbelse titel Toen gij naakt en bloot waart. De persoonsvorm `waart' moeten we dubbelzinnig opvatten. Niet alleen als archaische vorm van `waren', maar ook in de betekenis van `rondwaren', zwerven dus.

Pathos is Van Dantzig niet vreemd. Hij is het voorbeeld van de kunstenaar van het grote lijden. Zijn toneelpersonages drijft hij bijeen op een ijzeren plateau, ontworpen door Toer van Schayk. Er is het geruis van de branding, gekrijs van zeemeeuwen. Het is geen van de acteurs vergund een karakter te creeren van vlees en bloed. Ze zweven ergens tussen allegorie en symbool; je kunt aan Elkerlyck denken, aan de mannen die rondhangen in Becketts Wachten op Godot. Een van hen verbeeldt de Schepper, Adam en Eva doen mee. Verder is er ongeveer het voltallige Appel-tableau dat onder bijna eigen namen (Carline Brouwer heet Carla Houwers) aanwezig is op de vloer. Wat ze er doen, waarom ze er allemaal uberhaupt zijn, kan alleen vaag aangeduid en begrepen worden, dramatisch noodzakelijk was het geenszins. Het ontbreekt aan innerlijke kracht en helderheid. Abstracties dienen zich aan, zoals de gevallen mens, de verloren zoon, de maagdelijke vrouw, het onschuldige kind.

Schenkt Beckett zijn personages tenminste nog humor, aandacht voor zoiets ogenschijnlijk banaals als een stuk touw of een wortel, Van Dantzig laat de acteurs verdrinken in grote woorden die maar nooit handen en voeten krijgen. Soms zelfs was het ronduit genant, zoals Robert Prager alias Tony Regtop die met een dode pop, een moeder, een necrofiel nummertje mag maken om `haar koude kuil' of zoiets weer warm te maken. Van enige subtiliteit in de liefde is al helemaal geen sprake; Van Dantzig heeft een klamme kleffe woordkeus als het om de lichamelijke liefde tussen man en vrouw gaat. De uitbeelding ervan is navenant.

Van Dantzig schiep geen toneelpersonages, hij schreef grote woorden en grote gedachten op. En die moeten de acteurs maar uitspreken.

Dat is geen toneel, hooguit een verheven leesdrama. De choreograaf Van Dantzig laat de spelers af en toe wat dansante bewegingen maken. Aan het slot verschijnt opeens een in het wit gestoken varkensslachter ten tonele die de acteurs als vee besmet met de pest afvoert. Een jongen blijft hopeloos alleen achter. Natuurlijk de verwijzingen van dit laatste beeld (deportatie, het massaal afmaken van besmette dieren) zijn gruwelijk. Maar goed toneel is het allerminst het is larmoyant en ook op een bepaalde manier egoistisch. Van Danztig geeft mij als toeschouwer het idee dat hij in zijn mea culpa-houding de enige is die lijdt aan het onrecht op de wereld.

Die onbehaaglijkheid die me bekroop heeft te maken met het pathetische taalgebruik, waaraan cliches niet vreemd zijn. Zo zijn lelies altijd `blank'. Zonder humor zorgt dat voor een voorstelling die potdicht zit. Het moet voor de acteurs een ongemakkelijke opgave zijn geweest. In de speelstijl was dat op pijnlijke manier te merken; geen gloed of vuur, als een dreun klinkende woorden. Ik zag geen eenheid tussen tekst en acteur, alsof het de laatste niet werkelijk aanging. Dat is een vreemde ervaring: de gevoelswaarde van de tekst was onevenredig met de reikwijdte en de draagkracht ervan. De loodzware vorm, zonder de scherpte van enige stilering, verstikte het spel. Alsof er alleen maar op het podium werd gesjouwd met zware boodschappentassen vol ernst en nog eens ernst.