Column

SUPPORTER

Symbool: Volendam bedelt in de Arena. Beter kan het huidige voetbal niet worden samengevat. Op dit ogenblik wordt ons huis

geschilderd. Door een Volendammer. Hij schildert ons huis al jaren. In Amsterdam lopen heel veel Volendammer schilders. `Het zijn de besten', heeft de baas van het schildersbedrijf mij meermalen verzekerd. Veel jongens heten ook zo. Net als Annie. Afgelopen vrijdag kwam de schilder vast even kijken. We hebben het amper over het werk gehad. We hadden maar een onderwerp: de voetbalclub.

`Te hoog gegrepen', zei hij, `andere eerstedivisieclubs hebben een begroting van rond de vier miljoen en wij zitten op negen. En Sport7 natuurlijk. Rijk gerekend. We hebben ons veel te rijk gerekend. Maar ja als het op is is het op!'

Hoor ik verdriet? Ja, ik hoor diep verdriet en wordt overvallen door een gezond medelijden. Volendam kan toch niet weg. De enige club zonder hooligans. De club van Dick Bond, de geboeders Muhren en Wim Jonk. De club met de `Heen en weer'. De club van de poetische stadionspeaker Pe Muhren (oom van Gerrie & Arnold). Ik mocht ooit als gast bij hem in de radiokamer zitten en bewaar daar de warmste herinneringen aan. Gelukkig hebben wat rijke Volendammers hun portemonnee getrokken en de zaak lijkt voorlopig gered, maar je kan niet blijven bedelen. Toch weet ik een ding meer dan zeker: als Volendam verdwijnt betekent dat het definitieve einde van het echte voetbal. Voetbal zoals voetbal bedoeld was. Niks beursgenoteerd. Het voetbal van de supporters het voetbal van de club. Ik droom van een gebreide oranje-zwarte shawl en mijmer zachtjes: `Hup Volendam.'