Lucia di Lammermoor moet wel bijna altijd tegenvallen

Zo legendarisch en uitzonderlijk veeleisend is Donizetti's opera Lucia di Lammermoor naar het verhaal van Sir Walter Scott (1835) dat die nauwelijks meer is uit te voeren. De waanzinscene - berucht moeilijk vanwege de vereiste super-virtuositeit - is het absolute hoogtepunt van het romantisch belcanto: werkelijk gekmakend, zowel voor publiek als sopraan.

Maria Callas en vooral Joan Sutherland gaven daarvan in onze tweede eeuwhelft in theaters (Sutherland in 1982 ook in Amsterdam) vertolkingen, die zo uitzonderlijk en legendarisch waren, dat ze maatgevend zijn geworden. Veel minder mag het toch niet zijn, anders kunnen we beter thuis luisteren naar de opnamen.

Andre Hebbelinck, de scheidende samensteller van de Matinee op de Vrije Zaterdag, had niettemin de lovenswaardige moed om honderdvijftig jaar na Donizetti's overlijden in 1848 een uitvoering van Lucia di Lammermoor op het programma te zetten. Het meeslepende meesterwerk zou met het Lucia-roldebuut van de gevierde coloratuursopraan Luba Orgonasova in de titelrol ongetwijfeld ook werkelijk iets uitzonderlijks hebben te bieden. Buitenlandse operaliefhebbers kwamen ervoor naar Amsterdam. Zou Orgonasova de opvolgster worden van Edita Gruberova, een van de weinigen die zich handhaafden in de schaduw van Callas en Sutherland?

Orgonasova kon echter wegens ziekte vorige week onvoldoende repeteren. Ze werd vervangen door de Bulgaarse Darina Takova, onlangs nog Lucia in Florence. Er waren meer bezettingsproblemen. De dirigent Kees Bakels, vertrokken als chef-dirigent van het goed spelende Radio Symfonie Orkest, werd vervangen door de Italiaan Gianandrea Noseda. Hij is sinds kort naast Valery Gergjev de vaste gast-dirigent van de Kirov Opera in St. Petersburg. De bas Laszlo Polgar werd in de rol van Raimondo vervangen door Giovanni Furlanetto, die vanwege andere optredens werd vervangen door Francesco Ellero d'Artegna. En omdat zijn vader overleed werd Marcel Reijans als Arturo vervangen door Paul Charles Clarke.

Lucia di Lammermoor begon veelbelovend: de orkestrale inleiding klonk langzaam geconcentreerd en indrukwekkend als de vooruitblik op het noodlot dat Lucia zal treffen. Door haar broer gedwongen tekent ze een huwelijkscontract met Arturo, die ze doodt na een stroom van verwijten van haar minnaar Edgardo. Dan wordt ze waanzinnig en ziet zich voor het altaar als bruid van Edgardo, terwijl hemelse muziek weerklinkt.

Ze sterft en Edgardo verenigt zich met haar in de dood.

Darina Takova bleek een zangeres van belang. Ze zong goed en met voldoende vocaal spektakel vrij moeiteloos haar eerste aria Regnava nel silenzio, haar wat donkere stem in de hoogte al snel oplichtend en glinsterend. Franciska Dukel ondersteunde haar uitstekend als haar vertrouwelinge Alisa en Francesco d'Artegna bleek een Raimondo met een zeer prominent stemgeluid. Kor-Jan Dusseljee (Normanno) en Paul Charles Clarke (Arturo) vielen in hun kleine rollen nauwelijks op, Giovanni Meoni (Enrico) bleef daar nog ruim onder - was hij maar ziek geworden. De tenor Bruce Ford heeft een te kleine, te dunne en te vlakke stem voor de belangrijke en zeer geemotioneerde rol van Edgardo.

Noseda raasde door de partituur met veel aandacht voor de roerige bruiloftsgasten, maar nauwelijks voor het drama rond Lucia in een van de beste scenes uit de operaliteratuur. Het door haar broer verbergen van haar leed (`ze treurt nog om haar moeders dood') en het afdwingen van de handtekening (`Scrivi!, Scrivi!') dienen te geschieden tijdens lange, ongemakkelijke stiltes. Maar met de flitsende Noseda aan het roer gingen zulke hartverscheurende momenten geheel ongemerkt voorbij. Het fameuze sextet was een koortje van gelijkgestemden niet de uitingen van zes individuen.

De waanzinscene Il dolce suono werd door Takova zeker op niveau gezongen, haar zieligheid aandoenlijk acterend met zenuwachtig doelloos gefrummel aan haar stola. Terecht kwam ze met eigen oplossingen voor de vocaal-technische problemen en een eigen cadens in haar duet met de fluit. De topnoot aan het slot klonk zeker en ongeforceerd. Publiek succes was haar beloning. Maar wat Takova liet horen beroerde of schokte mij niet als ware waanzin, als iets onwaarschijnlijks uit een andere wereld, als iets immaterieels, als iets bovenmenselijks dat uitstijgt boven elke `normale' zangprestatie.

Maar hoe aardig en enthousiast het opera-publiek van de Matinee ook pleegt te zijn, voor Noseda was er ook enig boegeroep. De bezoekers die Takova na afloop spraken of vroegen om een handtekening, hoorden haar ook klagen over Noseda's te hoge tempi. Arme Lucia.