Hockey met een stokkie

Nooit zal ik langs de lijnen staan. Nooit, never, nooit niet. Een afgang zou het zijn, alsof je niets geleerd had, niet geleefd of: voor niets geleefd zou hebben.

Jezus wat een afgang zou dat zijn. Dat vreselijke milieu waar je je net met pijn en moeite aan hebt weten te onttrekken. Die vreselijke hockeyvelden, met die vreselijke oude mensen, die koppen en die namen. En dat nog een keer, ik kijk wel uit.

Ja gewoon lekker terug, terug naar het Gooi, terug naar het einde, terug je graf in zal je bedoelen! Ik schiet me nog liever voor m'n kop. Je denkt toch niet dat Mick Jagger Pablo Picasso of Richard Wagner, dat die dat wel doen? Of wel soms? Nou dan!

Denk je nou dat Lou Reed weer gaat hockeyen op z'n ouwe dag?

En die mensen dan, die mensen die daar dan weer wel staan? Denk je dat die leuk zijn? Dat die iets te melden hebben, iets van de wereld gezien, of er uberhaupt iets begrepen hebben.

Die domme kakkers, of yuppies, of weet ik veel hoe ze dan heten, dat die leuk zijn in hun waxjassen? Doe niet zo raar man. Dat zijn dooien.

Het hockeyveld het is te mijden als de pest, het is het einde, een keer in je leven, dat is al erg genoeg. Doe het je zelf, of zelfs je kinderen, nooit aan!

Nee, als het een beetje gelukt is, dan ben je daar zo ver mogelijk van weggezwommen, van dat leven. Zo ver mogelijk, en het allerbeste is dus, dat je ook uit Nederland weg bent.

Amsterdam en dan het land uit, dat is het beste.

Weg uit de verdrukking, weg met alles wat verstikkend is, weg met die op niets uitlopende herhaling. Die oerdomme herhaling, die Voyage van Celine, die herhaling van zetten gesymboliseerd door de grenzen van de rechthoek, de lijnen die het veld omgeven.

Zo dacht ik altijd. En toch vond ik het leven zo'n tien jaar later nog best wel leuk, toen ik afgelopen zaterdagochtend om half negen in de zeikregen naar mijn dochtertje van Meisjes D4 stond te kijken.