Douglas omvat 40 jaar jazz

`From trance-hop beats to noise-improv to rhapsodic balladry and onward; all in a sixty minute, non-stop ride' beloofde het

programmablad en daaraan hield Dave Douglas zich zaterdag. Zijn compositie Sanctuary, verschenen op een dubbel-cd op DIW Avant duurt eigenlijk twee uur maar hij wilde ook nog graag wat nieuw werk laten horen.

De trompettist (1964), dit jaar door het tijdschrift Down Beat verkozen tot `Jazz Artist of the Year' in de categorie `Talent Deserving Wider Recognition' is ongekend veelzijdig en heeft grote ambities. Van Webern en Stravinsky tot jazz, en van klezmer tot Joni Mitchell, op van alles probeert hij zijn stempel te drukken. Zijn Sanctuary lijkt een vermetele poging de verworvenheden van zo'n veertig jaar jazz te vatten in een hedendaags kader zonder te vervallen in modieus gedoe dat overmorgen al weer ouderwets is. De titel van het stuk en ook van zijn groep refereert aan Miles Davis, de dubbelkwartet-bezetting aan Ornette Coleman, de tijdsduur aan het ongebreidelde dat wijlen John Coltrane vaak had.

Hedendaags is het gebruik van electronica. Toetsenspeler Anthony Coleman speelt nauwelijks piano en des te meer sampler, de Japanse Ikue Mori speelt electronisch slagwerk en ook Douglas zelf manipuleert soms zijn trompetgeluid met behulp van wonderdoosjes. Tot een doorgaande dance-beat - het vertrouwde oem-papa-oem maar nu synthetisch - leidt dit alles echter niet, het geluidsbeeld blijft ook ritmisch onvoorspelbaar. Verrassingen van akoestische aard biedt Douglas ook, in de vorm van de contrabassisten Drew Gress en Hilliard Greene en de jonge trompettist Cuong Vu. De laatste bracht het BIM-publiek enkele keren in extase met solo's die knetterden als verboden vuurwerk. Er kunnen uit Sanctuary ongetwijfeld een paar maten geschrapt, maar dat tast de prestatie van Douglas niet aan. Zelfs een uur muziek schrijven zonder te vervelen is maar weinigen gegeven.

Een verrassende prestatie, zij het van een andere orde, leverde het Jazz Composer's Collective onder leiding van pianist Frank Kimbrough.

Dit kwintet wijdt zich aan de muziek van Herbie Nichols die in '63 roemloos overleed met achterlating van een handvol lp's, allemaal in trio-formaat met de componist zelf aan de piano.

Dat Nichols' composities zich goed lenen om door grotere bezettingen te worden gespeeld werd in '84 bewezen door het ICP orkest van Misha Mengelberg. Het Amerikaanse Collective deed het in '96 in een aantal andere stukken op een cd met de titel Love is Proximity. Bracht Mengelberg de muziek van Nichols tot leven uit de van hem bekende losse pols, bij Kimbrough en de zijnen viel vrijdag vooral de grote hechtheid op. Het Collectitive is geen verzameling schnabbelaars maar een band met een eigen geluid. Dat discipline en vrijheid elkaar niet uitsluiten bleek uit de solo's van Kimbrough zelf en de jonge Ted Nash die met zijn opvallend vale tenorsax uiterst levendige verhalen vertelde.

Het afgelopen weekend in het BIMhuis, met donderdag het Joe Morris kwartet, geeft nieuwe hoop aan wie Amerika al had afgeschreven. De jazzmuziek spartelt weliswaar als altijd in doodsnood maar lijkt er net als Clinton en de Dow Jones toch weer bovenop te komen.