De vergadering (2)

Er gaat een maand voorbij na het zomerreces en onze eerste vergadering, en onze dorpscommissie zit weer bijeen in het gemeentehuis aan tafel met het groene kleed. Maar ditmaal blijven we niet onder elkaar. Na onze binnenkomst opent zich de deur naar de hal en komen achter elkaar tientallen dorpsgenoten op ons af. Vanuit de zaal neemt elk een losse stoel mee en zo vormt zich rond het bestuur een halve cirkel. Niemand kijkt op van deze gang van zaken; het is blijkbaar gebruikelijk. Inmiddels zijn de aanwezigen betrokken bij een omslachtige begroetingsceremonie.

Men herkent vrienden en familieleden, omarmt elkaar met de `accolade' met de armen over en weer rond nek en schouders, gevolgd door de `bisou' de wang-aan-wang kus die tot driemaal toe wordt herhaald.

Daarna kan de voorzitter het woord nemen, hetgeen Yves ook doet, na eerst zichzelf moeizaam losgemaakt te hebben uit een omhelzing met een jonge vrouw die zich niet beperkt tot de accolade. Hij staat op en begint een soort toespraakje waarin hij herinnert aan de `Brocante' de jaarlijkse tweedaagse vrijmarkt voor snuisterijen die gehouden is in augustus.

“Een enkele onder u zal daar misschien nog iets over willen zeggen of vragen. Daar is nu de gelegenheid voor.' Hij gaat weer zitten en kijkt de kring rond.

Er valt een stilte; blijkbaar is er geen commentaar. Maar dan toch, staat er iemand op die kennelijk iets te zeggen heeft. Het is mevrouw Dupuy van `Dupuy Fleurs', de grote bloemenzaak tegenover het gemeentehuis. Een rijzige blonde vrouw van middelbare leeftijd. Uit de manier waarop men naar haar kijkt en uit de stilte die aan haar woorden voorafgaat maak ik op dat zij gezag heeft in deze kring. Zij spreekt zacht, vriendelijk en nadrukkelijk, als de juf op school die het nog een keer zal uitleggen. De leden van het bestuur elk om beurten aankijkend zegt zij: “De vrijmarkt in het eerste weekeind van augustus heeft heel wat mensen op de been gebracht, klanten dus. De kramen vulden de straten van ons dorp; het was dus een succes en ik wilde u daar wel voor danken. Toch moet ik daar iets aan toevoegen. Op zaterdagochtend deed ik al meteen een heel onaangename ontdekking. Ook voor mijn winkel stonden twee kramen langs de straatkant. Prima dus, niets aan de hand. Maar toen ik naar buiten kwam ontdekte ik tot mijn schrik dat aan deze kramen geen snuisterijen werden verkocht, zoals overal, maar bloemen en planten. Nu vraag ik u. Ik ben op die brocanteur afgestapt en heb hem toen naar zijn deelnemerskaart gevraagd.

Maar die kon of wilde hij me niet tonen. Daarna, ten einde raad, heb ik de gendarmerie gebeld en heb hun mijn problemen voorgelegd. Weet u wat die zeiden? Die zeiden: `Mevrouw, wij begrijpen uw problemen volkomen. Maar daar bemoeien wij ons niet mee.' Al met al heb ik die dag geen klant in mijn winkel gezien.'

Zij keek nu de kring rond en ging weer zitten. Ik keek naar de overige bestuursleden, die geen spier vertrokken. Alleen Alain Cantrelle vice-voorzitter, bracht in een snel gebaar zijn linkerhand voor zijn gezicht, waarop ik nog juist een grimas observeerde. Liliane Minos keek strak voor zich uit, maar met duidelijk lachende ogen.

Alleen Yves als voorzitter, leverde een volmaakte mimiek van passend berouw. Hij keek de kring rond en zei: “Het is duidelijk dat wij volgend jaar de verdeling van de plaatsen goed in de hand moeten nemen. Wat nodig is, is een placeur, iemand die de plaatsen aanwijst.'

“Die hebben we vroeger ook gehad', opperde Marie-Jeanne Delpey. “Tegen een redelijke vergoeding wil mijn man dat wel op zich nemen, nietwaar, Bertrand?' Zij draaide zich om en keek de zaal in. Maar het antwoord van Bertrand werd niet meer afgewacht.