ZENDELING VAN EEN VERGUISDE SPORT

Op een wereldreis langs dertig landen leerde Adri Zwaanswijk zelfs inboorlingen op Papoea Nieuw Guinea korfballen. En nog steeds is de 69-jarige Amsterdammer zijn tijd vooruit. Hij heeft een nieuwe korf ontworpen, die de traditionele rieten mand moet vervangen. “Om een modern imago te creeren. Maar de korfbalwereld is zo conservatief, ik word afgemaakt.'

Morgen wordt in Hoboken bij Antwerpen de 100ste korfbalinterland op het veld tussen Nederland en Belgie gespeeld. Maar bij de eerste bondscoach van het Koninklijk Nederlands Korfbal Verbond (KNKV) maakt die klassieker geen sentimenten meer los. “Van mij mag het de laatste keer zijn dat Nederland en Belgie op het veld tegen elkaar spelen', zegt Adri Zwaanswijk in zijn monumentale grachtenpand in Amsterdam. “De official die een korfbalwedstrijd in de open lucht nog aan de media durft te verkopen, moet onmiddellijk worden ontslagen. Dat ziet er toch niet uit op televisie? De top moet alleen nog in de zaal spelen en dat gaat ook snel gebeuren.'

Over vier maanden wordt Zwaanswijk 70 jaar. Een televisie heeft hij niet en een fax hoef je hem ook niet te versturen. Maar de adviseur van de Internationale Korfbalfederatie (IKF) denkt moderner dan de jonge generatie die het korfbal naar de volgende eeuw moet tillen. “We wentelen ons ten onrechte in het amateurisme. Wij weigeren een topkorfballer te betalen als de kantinejuffrouw niets krijgt. Wij zijn de laatste der Mohikanen. De slager in het dorp sponsort de korfbalclub omdat zijn dochter toevallig korfbalt.

“Zo klein moeten we niet meer denken. Ook wij moeten een Superliga oprichten om korfbal als topsport te promoten. De manier waarop de sport zich nu ontwikkelt, is immers bedreigend voor de kleine bonden. Het NOC*NSF is louter op medaillejacht. De geldstromen worden gekanaliseerd, alleen bonden met een gedegen topsportplan mogen nog aanspraak maken op subsidies. Het KNKV moet blijven meespelen in dat orkest. Wij zijn namelijk de enige teamsport die nog nieuwe leden trekt.'

Nog zeker twee jaar wil Zwaanswijk werken in zijn sportzaak, die hij momenteel eigenhandig verbouwt.

Daarna gaat hij weer reizen, gedreven door onrust, een ongebreidelde nieuwsgierigheid en zijn passie voor een verguisde sport. “Veel mensen vinden korfbal nog steeds een lullige sport', zegt Zwaanswijk. “Het wordt ons verweten dat we in sportpaleis Ahoy' 9000 mensen op de tribunes krijgen, terwijl het KNKV ook 20.000 kaarten voor de zaalfinale zou kunnen verkopen. Veel sportbonden zijn jaloers op ons, omdat het korfbal geen supportersgeweld kent. Het korfbal is inderdaad een familiesport. Maar bij het handbal staan toch ook kinderwagens langs de lijn?'

Hoe kan de korfbalsport aan (internationale) allure winnen? Hier spreekt de missionaris: “In samenwerking met het KNKV heeft het IKF een selectie gemaakt van B-landen die Nederland en Belgie over vijf jaar moeten bedreigen. Portugal had op het laatste wereldkampioenschap al bijna van Belgie gewonnen en Tsjechie is in potentie de nieuwe nummer drie. Vroeger bestond mijn internationale carriere uit een reis per trein naar Antwerpen om tegen de Belgen te spelen. Nu korfballen we in alle uithoeken van de wereld. Het WK vindt volgend jaar in Australie plaats en Japan organiseert in 2001 de World Games. We hebben de jeugd een nieuw perspectief gegeven.'

Het leek gekunsteld om tenminste 25 landen zo gek te krijgen het korfbal te omarmen met het doel olympische erkenning af te dwingen. Werd de korfbalsport in Spanje niet geintroduceerd door een speler van het niveau Trekvogels 3 die toevallig aan een Spaanse vrouw was blijven hangen? Was het niet veelzeggend dat een Haagse pionier Armenie vanuit het niets naar het WK bracht? Zo diep is zelfs de eeuwige rivaal Belgie al gezonken dat het Nederlandse team alleen nog serieuze tegenstand ondervindt van een gemiddelde hoofdklasser.

Het kan Zwaanswijk niet deren. Hij correspondeert met volgelingen over de gehele wereld en droomt van een website op Internet om technische ontwikkelingen in zijn sport sneller te kunnen verspreiden.

Zelf zal Zwaanswijk het korfbal niet meer verkopen, zoals hij dat bijna twintig jaar geleden heeft gedaan. In 1979 maakte de mentor van de huidige topsportcoordinator Ben Crum een wereldreis van zes maanden, waarin hij 30 landen bezocht. “Ik heb alleen Argentinie en Chili van mijn lijst moeten schrappen. Dat lag in die tijd politiek te gevoelig. In al die andere landen gaven de mensen me telkens het gevoel dat ik een cadeautje kwam brengen. Ik gaf mijn eerste cursus in India aan de universiteit van Delhi aan een bonte verzameling sportmensen onder wie de nationale kampioen boogschieten. Nu spelen de zestien staten van India om het landskampioenschap waarbij korfbalwedstrijden live op televisie worden uitgezonden.

“In Taiwan kon alles. Ze vroegen me: `Zwaan wat heb je nodig?' Ik antwoordde dat ik voor 50 mensen 50 ballen en 25 palen nodig had. Werd meteen voor me geregeld. Ik kreeg de beschikking over een tolk die elke aanwijzing van mij meteen in het Chinees vertaalde. De discipline was enorm. In Indonesie kwam ik nog een paal tegen uit het begin van deze eeuw met een bewerkte kruisvoet. Spelen onder de korf kon dus niet, want dan brak je je benen. Maar daar vond ik wel wat op.'

Zwaanswijk leerde zelfs de inboorlingen op Papoea Nieuw Guinea korfballen, al moest hij daar aanzienlijk creatiever zijn. “Ik verdiep me altijd in de cultuur van een land voor ik het bezoek. Zo moest ik in Afrika mijn handen niet in een komvorm houden om het schieten te demonstreren anders zouden de mensen denken dat ik hun vader vervloekte.

Maar van Papoea Nieuw Guinea wist ik niets. Ik maakte een korf van twee ijzeren ringen, ik heb er ook vismanden voor gebruikt. Op het veld stond een grote boom, daar moesten we dus omheen spelen. Met een bal moest ik tweehonderd kinderen en een aantal leraren vermaken. Toch is het me gelukt op Papoea Nieuw Guinea 16.000 mensen te laten korfballen.

“Het probleem is de communicatie met de mensen op Papoea Nieuw Guinea. Als ik een brief schrijf naar de plaatselijke korfbalbond, krijg ik nooit antwoord. Maar als je er naar toe gaat, staat iedereen voor je klaar. Wegen bestaan niet, treinen rijden niet op Papoea Nieuw Guinea. Het eiland kent enkele landingsplaatsen voor een vliegtuigje, verder moet je dwars door het oerwoud lopen. Ik bezocht met een topfunctionaris uit de hoofdstad Badang het dorp waar zijn familie woonde. Dat dorp was half in zee gebouwd op palen.

“In een kano gingen we in dat dorp naar de hutten van de bewoners en overal moest ik eten. Toiletten waren niet nodig. Je kon je behoefte gewoon laten lopen want het was twee keer per dag vloed en dan spoelde alles weer schoon. Speciaal voor mij werd een vis gevangen. In een hut werd een vuurtje gestookt om die vis te bereiden. Maar ik moest wel de staart, de kop en de ogen opeten. Dan moet je niet knipperen met je ogen, maar gewoon zeggen dat die vis fantastisch lekker smaakt.

“Op een dag moest ik bij de dorpsoudsten komen. Ze dachten dat Nederland de hoofdstad van Denemarken was. Toch wilden ze van die westerling wel eens weten hoe ze de infrastructuur van het dorp zouden kunnen verbeteren. De mensen lieten me een natuurverschijnsel zien. Helder, zoet water kwam uit een bron op het strand. Elke morgen verzamelden de vrouwen zich bij die bron om water te halen.

Ik stelde als efficiente Nederlander voor een waterpomp neer te zetten. De dorpsoudsten protesteerden onmiddellijk. Ik moest wel begrijpen dat het halen van water voor die vrouwen een sociale gebeurtenis was. Op die plek konden ze praten en werd het laatste nieuws uitgewisseld.

“De volgende avond was ik te gast bij een bruiloft. Getrouwde stellen treden op Papoea Nieuw Guinea elk jaar opnieuw in het huwelijk om de bruidsprijs te betalen. Die bestaat voornamelijk uit vis en zwarte varkentjes. Het sociale systeem is zo anders dan in Nederland! Zodra de bruidsprijs is betaald en bankbiljetten aan stokken zijn geregen, wordt alles weer onder de familie verdeeld. De dorpsoudste vroeg me welke functie hij in Nederland zou bekleden. Ik vertelde hem dat hij op zijn leeftijd allang in een bejaardentehuis had gezeten. Die man was verbijsterd. `U gooit alle kennis en ervaring weg', zei hij. Mijn kennis is in elk geval behouden gebleven, want op Papoea Nieuw Guinea staat nu een sportcentrum en ook daar wordt nog steeds gekorfbald.'

In Nederland wordt zijn kennis minder op prijs gesteld. Zeker als Zwaanswijk zijn eeuwige drang tot innovatie op het hart van de sport richt. Al 20 jaar geleden trachtte Zwaanswijk in samenwerking met TNO in Delft een nieuwe korf te ontwerpen. Nu is het zover en vals klinken de protesten tegen de mand van de toekomst. Zwaanswijk, terwijl hij verschillende modellen toont: “We naderen het millennium, het is hoog tijd voor een modern design. De korfballers spelen al bijna 100 jaar met dat lullige rieten mandje.

“Ik heb me wel eens afgevraagd waarom de uitvinder van het korfbal, Nico Broekhuyzen, in vredesnaam voor die mand heeft gekozen. Dat had natuurlijk met geld te maken.

Het moest zo goedkoop mogelijk. De basketballers begonnen met hetzelfde mandje. Ik heb oude foto's waarop mensen dat ding op hun balkonnetje vasthouden, zodat de bal er doorheen kon worden geschoten. Wij gooien de bal nog steeds door een rotan mand. Bovendien hanteren we wel tien verschillende soorten die allemaal verschillend reageren. De ene mand veert anders dan de andere waardoor niemand met hetzelfde materiaal speelt.

“Ik heb nu een korf ontworpen, die met een schroefje aan de paal kan worden vast gemaakt. Maar ik heb zo veel weerstand ondervonden! De korfbalwereld is vreselijk conservatief, ik word afgemaakt. Als je aan het materiaal komt, kom je aan hun ziel. De clubs durven niet te experimenteren. Ik moet opboksen tegen waanideeen, ik krijg een heleboel vuil over me heen. Ik kreeg al het verwijt dat we de naam van onze sport moeten gaan veranderen, omdat mijn mand niet meer op een korf zou lijken. Toch ga ik gewoon door. Ik ben altijd een voorlijk kind geweest.

“Als ik iets nieuws bedenk duurt het vijf jaar voor het wordt geaccepteerd. Toen ik bij het pupillenkorfbal kleinere palen en kleinere ballen introduceerde, werd ik voor gek verklaard. Alsof een kind van zes jaar ooit een bal in een mand op een hoogte van bijna 3 meter kan schieten. Nu spelen ze mijn vorm van minikorfbal. In feite is mijn missie nimmer voltooid, want er is altijd weer iets nieuws. Ik las laatst dat Philips een lichtgevende draad heeft uitgevonden die 500 keer dunner is dan een mensenhaar. Die wil ik in die korf hebben, de moderne elektronica moet toch een mooi spektakel opleveren? Het is maar goed dat ik nog niet dood wil, want ik ben nog lang niet klaar.'