Vrouwen veroveren het schouwtoneel

Vrouwtjeschimpansees hebben relaties, mannetjes bedrijven Realpolitik. Dit beeld gaat ook buiten de wereld van de chimpansees op, stelt Francis Fukuyama. Het feministische streven in de internationale politiek bijvoorbeeld is niet gericht op externe agressie maar op het beteugelen van driften met een netwerk van normen en wetten.

In de grootste chimpansee-kolonie in gevangenschap ter wereld in Burgers Dierenpark in Arnhem, woedde aan het eind van de jaren '70 een waarlijk Machiavelliaanse strijd. Zoals primatoloog Frans de Waal beschrijft, werd het ouder wordende dominante mannetje Jeroen langzamerhand uit zijn machtspositie ontzet door een jonger mannetje Luit. Luit had dat niet kunnen doen op basis van zuiver fysieke kracht maar moest een bondgenootschap sluiten met Nikkie, een nog jonger mannetje. Maar zodra Luit de top had bereikt, keerde Nikkie zich tegen hem, sloot een coalitie met de afgezette leider en wist zo zelf aan de macht te komen. Luit bleef op de achtergrond Nikkie's leiderschap bedreigen, en dus werd hij op een dag door Nikkie en Jeroen vermoord - zijn tenen en testikels slingerden her en der over de vloer van de kooi.

Jane Goodall is beroemd geworden door de studie die ze in de jaren '60 heeft verricht naar een groep van ongeveer 30 chimpansees in het Tanzaniaanse Nationale Park Gombe in Tanzania, een groep die haar in het algemeen vreedzaam voorkwam. In de jaren '70 splitste de groep zich in wat alleen maar valt te beschrijven als twee rivaliserende gangs in het noorden en zuiden van het leefgebied. De biologisch antropoloog Richard Wrangham heeft samen met Dale Peterson in hun boek Demonic Males (1996) beschreven wat er vervolgens gebeurde. Groepjes van vier of vijf mannetjes uit de noordelijke groep trokken eropuit, niet alleen om het eigen gebied te verdedigen, maar ook om invallen te doen in het territorium van hun tegenhangers en daar afgedwaalde of onachtzame apen aan te vallen. De moorden waren vaak gruwelijk en werden door de aanvallers gevierd met hoe-hoe-geroep en koortsachtige opwinding.

Alle mannetjes en een aantal van de vrouwtjes in de zuidelijke groep werden uiteindelijk gedood en de overgebleven vrouwtjes werden gedwongen zich bij de noordelijke groep aan te sluiten. De chimpansees van Gombe-noord hadden in feite hetzelfde gedaan wat de Romeinen in 146 met Carthago deden: hun rivaal met wortel en tak uitroeien.

Aan deze verhalen over chimpansee-gedrag vallen dadelijk een aantal dingen op. Ten eerste het geweld. Onderling geweld tussen leden van dezelfde soort is zeldzaam in het dierenrijk en blijft doorgaans beperkt tot kindermoord door mannetjes die het kroost van een rivaal willen elimineren om zelf met de moeder te paren. Alleen chimpansees en mensen lijken geneigd tot het stelselmatig vermoorden van soortgenoten. Het tweede dat opvalt is de grote rol die coalities en de politieke aspecten van coalitievorming spelen. Chimpansees zijn, net als mensen, in hoge mate sociale wezens wier leven wordt beheerst door het bereiken en behouden van een dominante status in de hierarchie. Met dreigen, smeken, vleien en omkopen bewegen ze andere chimpansees ertoe bondgenootschappen aan te gaan, en hun dominantie duurt slechts zo lang als ze die sociale connecties weten te handhaven.

En tot slot het belangrijkste: het geweld en de coalitievorming is vooral het werk van mannetjes. Vrouwelijke chimpansees kunnen soms even gewelddadig en wreed zijn, vrouwtjes wedijveren met elkaar in hierarchieen en vormen daarvoor ook coalities. Maar het meest moorddadige geweld hoort tot het domein van de mannetjes, en de vrouwelijke allianties zijn ook anders van aard. Volgens De Waal sluiten wijfjeschimpansees zich aan bij andere wijfjes aan wie ze zich emotioneel gehecht voelen.

De mannetjes zullen veeleer allianties aangaan zuiver om redenen van opportunistisme en berekening. Met andere woorden, vrouwtjeschimpansees hebben relaties, mannetjes beoefenen Realpolitik.

Er bestaat inmiddels een uitgebreide literatuur over sekse en internationale politiek, gebaseerd op het werk van academici als Ann Tickner, Sara Ruddick, Jean Bethke Elshtain, Judith Shapiro en anderen. Deze literatuur is te divers van aard om beknopt te beschrijven, maar we kunnen veilig stellen dat ze zich aanvankelijk heeft beziggehouden met de vraag hoe internationale politiek `geslachtsbepaald' raakt, dat wil zeggen bedreven wordt door mannen in dienst van mannelijke belangen en door andere mannen, bewust en onbewust, geinterpreteerd vanuit een mannelijk perspectief. Zo denken realistische theoretici zoals Hans Morganthau en Kenneth Waltz, wanneer ze betogen dat staten streven naar maximalisatie van hun macht, dat ze een universele menselijke eigenschap beschrijven, terwijl ze, zoals Tickner aantoont, eigenlijk het gedrag van door mannen bestuurde staten schetsen.

Vrijwel alle feministen die de internationale politiek bestuderen, streven terecht naar grotere participatie van vrouwen op alle gebieden van de internationale betrekkingen - van presidentswoningen en ministerschappen van buitenlandse zaken tot strijdkrachten en universiteiten. Ze zijn het oneens over de vraag of vrouwen een politieke carriere moeten nastreven door zich naar traditioneel mannelijk voorbeeld hard, agressief en competitief te tonen en bereid om zo nodig geweld te gebruiken, dan wel of ze het hele politieke streven moeten ombuigen, weg van mannelijke preoccupaties als hierarchie en dominantie. Deze ambivalentie kwam tot uiting in de feministische reactie op Margaret Thatcher, die in alle opzichten veel harder en vasthoudender was dan de mannelijke politici die haar pad kruisten.

Het behoeft geen betoog dat Thatchers conservatieve beleid haar weinig geliefd maakte bij de meeste feministen, die veel liever een voorbeeld nemen aan vrouwelijke leiders als Mary Robinson of Gro Harmel Brundtland, ondanks - of juist vanwege - het feit dat Thatcher de mannen op eigen terrein versloeg.

Beziet men de internationale betrekkingen eenmaal door de lens van sekse en biologie, dan ziet alles er voortaan anders uit. Wanneer men ziet hoe moslims en Serviers in Bosnie, Hutu's en Tutsi's in Rwanda of paramilitaire milities van Liberia en Sierra Leone tot Georgie en Afghanistan zich verdelen in op het oog niet van elkaar te onderscheiden, door mannelijke loyaliteit gebonden groepen met het doel elkaar systematisch uit te moorden, is het heel moeilijk om niet aan de chimpansees in Gombe te denken.

Het fundamentele sociale probleem waarmee iedere samenleving te maken krijgt is de beteugeling van agressieve neigingen bij jonge mannen. In jager-verzamelaarculturen heeft het merendeel van het geweld betrekking op seks, een toestand die nog altijd geldt voor binnenechtelijke geweldsmisdrijven in de huidige postindustriele samenlevingen. Oudere mannen in de gemeenschap bekommeren zich in het algemeen om de socialisatie van jongere mannen door hun agressie te ritualiseren, vaak door die te richten op vijanden buiten de gemeenschap. Die uitwendig gerichte agressie heeft vaak ook grotendeels betrekking op vrouwen. Het kanaliseren van agressie naar buiten de gemeenschap vermindert wellicht niet het algehele geweldsniveau in een samenleving, maar biedt haar in elk geval de mogelijkheid van interne vrede tussen twee oorlogen.

De kernpunten van het feministische streven in de internationale politiek lijken fundamenteel juist te zijn: de gewelddadige en agressieve neigingen van mannen moeten worden beheerst niet door die eenvoudig te richten op externe agressie maar door de driften zelf te beteugelen met een netwerk van normen, wetten, afspraken contracten enzovoort.

Bovendien moeten meer vrouwen in het domein van de internationale politiek verschijnen als leiders, hoge functionarissen militairen en stemgerechtigden. Alleen door volledig deel te nemen aan de wereldpolitiek kunnen vrouwen niet alleen hun eigen belangen behartigen, maar ook de impliciet mannelijke politieke agenda bijsturen.

De feminisering van de wereldpolitiek is een proces dat natuurlijk al zo'n honderd jaar gaande is, met zeer positieve resultaten. Vrouwen hebben in alle ontwikkelde landen en in veel ontwikkelingslanden stemrecht en het recht op deelname aan de politiek verworven en maken steeds energieker van dat recht gebruik. In de Verenigde Staten en andere rijke landen bestaat nog een aanmerkelijke kloof tussen de seksen waar het gaat om buitenlands beleid en nationale veiligheid. Betrokkenheid van de VS bij oorlogen, waaronder de Tweede Wereldoorlog en die in Korea, in Vietnam en de Perzische Golf, geniet onder Amerikaanse vrouwen van oudsher 7 a 9 procent minder steun dan onder Amerikaanse mannen. Ook staan vrouwen steevast kritischer tegenover defensieuitgaven en militair optreden in het buitenland. Bij een Roper-peiling uit 1995 voor de Chicago Council on Foreign Relations werd gevraagd of men in het geval van een aanval door Noord-Korea militair ingrijpen door de VS in Korea zou steunen. Van de ondervraagde mannen bleek 49 procent voor en 40 procent tegen; bij de vrouwen was het andersom: 54 procent tegen en 30 procent voor. Op de vraag wat men vond van militair optreden tegen Irak als dat land Saoedi-Arabie zou binnenvallen, antwoordde 62 procent van de mannen positief en 31 procent negatief; van de vrouwen was 43 procent voor en 45 procent tegen. Terwijl 54 procent van de mannen het behoud van mondiaal militair overwicht door de VS belangrijk achtte, bleek maar 45 procent van de vrouwen het daarmee eens te zijn.

Deze discrepantie valt moeilijk te verklaren. Door commentatoren zijn diverse redenen aangedragen waarom vrouwen minder snel bereid zijn militair geweld te gebruiken dan mannen, waaronder hun rol als moeder, het feit dat veel vrouwen feministes zijn (dat wil zeggen, aanhangers van een linkse politieke lijn die in het algemeen afkerig staat tegenover Amerikaanse interventie), en partij-loyaliteit (er stemmen meer vrouwen dan mannen op de Democratische Partij). We hoeven echter de oorzaak van de correlatie tussen geslacht en antimilitarisme niet te kennen om te voorspellen dat bij een groeiende deelname van vrouwen aan het politieke bedrijf, de Verenigde Staten en andere democratieen waarschijnlijk minder tot machtsvertoon in de wereld geneigd zullen zijn dan voorheen.

Zal zo'n verschuiving naar een minder op status en militaire macht gerichte wereld gunstig zijn? Voor de betrekkingen tussen landen in de zogeheten democratische vredeszone luidt het antwoord bevestigend. De sekse-factor levert een belangrijke bijdrage aan het levendige, interessante debat over de correlatie tussen democratie en vrede dat het afgelopen decennium wordt gevoerd. De `democratie-is-vrede'-theorie, die ten grondslag ligt aan het buitenlands beleid van de regering Clinton en voorgaande regeringen, stelt dat democratieen in het algemeen niet met elkaar oorlog voeren. Hoewel de empirische bewijskracht ervan omstreden is, lijkt de correlatie tussen de inburgering van democratische instituties en onderlinge vrede een van de weinige significante generalisaties te zijn die we inzake de wereldpolitiek kunnen hanteren. Minder overtuigend zijn de aanhangers van deze theorie waar het gaat om de oorzaken waardoor democratieen vreedzaam samenleven.

De gewoonlijk gebezigde argumenten bijvoorbeeld de rechtsstaat en het respect voor de rechten van het individu zijn ongetwijfeld juist. Maar er is nog een factor die in het algemeen niet in de beschouwing wordt betrokken: ontwikkelde democratieen zijn meestal ook sterker gefeminiseerd dan autoritaire staten, gerekend naar de mate van gelijkberechtiging van vrouwen en hun deelname aan het politieke besluitvormingsproces. Het behoeft dus niemand te verbazen dat de historisch ongeevenaarde sekseverschuiving aan de basis van de politiek tot een verandering in de internationale betrekkingen leidt.

Echter als seksebepaalde rolpatronen niet zomaar sociale artefacten zijn maar wortelen in onze genen, dan zullen grenzen blijken te bestaan aan de verschuivingen in de internationale politiek. Behalve in een compleet gefeminiseerde wereld zou een gefeminiseerd beleid dan een risico kunnen betekenen.

De interactie tussen de feminisering van de democratische politiek en andere demografische tendensen zal de komende vijftig jaar tot belangrijke veranderingen leiden. Halverwege de volgende eeuw zal Europa vermoedelijk bestaan uit rijke, machtige, democratische landen met een snel slinkende bevolking van meest bejaarde mensen, waar vrouwen belangrijke leidende rollen vervullen. De wereld zal er dan op zijn zachtst gezegd anders uitzien dan we gewend zijn.

Neem als voorbeeld het menselijke en in het bijzonder mannelijke verlangen een status-hierarchie te domineren, dat wij delen met andere primaten. Het ontstaan van de liberale democratie en het moderne kapitalisme heeft dat verlangen niet geelimineerd, maar wel veel meer vreedzame middelen gecreeerd om het te bevredigen. Een moderne, technologische samenleving biedt duizenden gebieden waarop men sociale status kan bereiken, en in de meeste gevallen leidt het streven naar status hier niet tot geweld maar tot sociaal productieve activiteiten.

Een academicus die een hoogleraarschap aan een toonaangevende universiteit in de wacht sleept, een politicus die een verkiezing wint of een ondernemer die zijn marktaandeel vergroot bevredigen daarmee wellicht dezelfde hunkering naar status als de chimpansee die het dominante mannetje van zijn groep wordt. Maar intussen hebben deze personen boeken geschreven, een beleid uitgestippeld of nieuwe technologieen op de markt gebracht die het menselijk welzijn hebben vergroot.

Natuurlijk kan niet iedereen een hoge rang of dominante positie in een gegeven hierarchie bereiken, omdat het hier gaat om zogenaamde zero-sum games, competities waarin tegenover elke winnaar een verliezer staat. Maar het voordeel van een moderne complexe, steeds veranderende samenleving is, zoals de econoom Robert Frank stelt, dat kleine kikkertjes in grote vijvers kunnen verhuizen naar een kleinere vijver waar ze groter lijken. Status verwerven door het kiezen van de juiste vijver zal de ambities van de meest hoogstaande individuen niet bevredigen, maar het kan een uitlaatklep vormen voor een groot deel van de competitieve energie die in samenlevingen van jagers-verzamelaars en in agrarische culturen dikwijls alleen kan worden ontladen in een oorlog. De liberale democratie en de markteconomie functioneren goed omdat ze, anders dan het socialisme, radicaal feminisme of andere utopische ideologieen, niet proberen de menselijke natuur te veranderen. Zij accepteren onze biologisch bepaalde natuur juist als gegeven en trachten die te beteugelen door middel van instituties, wetten en normen. Het werkt niet altijd, maar liever dat dan te leven als dieren.