Verstrikt in de nieuwe tijd; Kabila en de geopolitieke kentering in Afrika

Congo is het brandpunt van een nieuwe werkelijkheid in Afrika. Omringende landen mengen zich in de strijd tussen president Kabila en de rebellen - die deze week de strategisch belangrijke stad Kindu veroverden. Van kust tot kust zijn oude en nieuwe Afrikaanse leiders het eens: couppogingen kunnen niet meer in Afrika.

De Gids van Zaire had de wereld nog zo gewaarschuwd: als hij het veld moet ruimen, valt het grootste land van Midden-Afrika uiteen en vervalt de hele regio in chaos. Mobutu Sese Seko, de belichaming van het ancien regime in Afrika, citeerde graag Madame de Pompadour: apres nous le deluge - na ons de zondvloed. En ziedaar. Anderhalf jaar nadat de Gids Kinshasa is ontvlucht en een jaar nadat hij in zijn ballingsoord Marokko is bezweken aan prostaatkanker, staan er vreemde troepen in alle hoeken van het rijk: Angolezen in Beneden-Congo, Zimbabweanen in Kinshasa en Katanga Oegandezen en Rwandezen in Kivu. Zaire, dat na Mobutu's vlucht werd omgedoopt tot Congo, is uiteengevallen in bezettingszones. Opstandige legereenheden markeerden deze week met de verovering van de stad Kindu de grenzen van een de facto afgescheiden Oost-Congo. Formeel namens een tegenregering in Goma, maar in feite als zetbazen van strategen aan de andere kant van de grens.

Congo, dat onmetelijke land in het hart van Afrika, kent geen centraal gezag meer en is een schaakbord geworden waarop sterke mannen in andere hoofdsteden met stukken schuiven. De openingszet van de nog lopende partij werd gedaan door de leiders van Rwanda en Oeganda, die hun eigen veiligheid dachten te dienen door ondersteuning van een militaire opstand in Oost-Congo. Daarmee zetten ze de koning schaak, die ze in een vorige partij zelf naar voren hadden geschoven: Laurent-Desire Kabila, sinds mei vorig jaar president van de Democratische Republiek Congo.

Het gemak waarmee mannen als Yoweri Museveni van Oeganda en Paul Kagame van Rwanda schaakstukken offeren, is te verklaren uit een heilig geloof in hun missie - veilige grenzen garanderen en voorkomen dat hun volksgenoten ten offer vallen aan massamoord, uit een rotsvast vertrouwen in militaire middelen ter verwezenlijking van politieke doelen en uit een geloofsartikel waarmee deze `nieuwe leiders' zich van meet af aan onderscheidden van de orthodoxie in Afrika: het recht om korte metten te maken met wanbestuur bij de buren.

Uit de breuk met Kabila blijkt ook een diepe minachting voor de leiderschapskwaliteiten van de Congolezen. Nog onlangs zei een adviseur van de Rwandese president: “Er valt niets te beginnen met deze mensen; Congolezen dansen liever de ndombolo (een sensuele dans vol berusting) dan dat ze politieke verantwoordelijkheid dragen.'

Hoogmoed komt voor de val: de schaakspelers in Kigali en Kampala hebben het spelverloop verkeerd ingeschat. De zwarte koning in Kinshasa - vorig jaar nog de koning van wit - wordt nu door anderen bespeeld en die laten hem niet mat zetten. De leiders in Kigali en Kampala hebben de besluitvaardigheid en eensgezindheid in andere Afrikaanse hoofdsteden onderschat. Van Luanda tot Harare, van Libreville tot Khartoum, groeit een nieuwe consensus: coups zijn voortaan uit den boze. Na afloop van de Koude Oorlog ging in Afrika niet alleen de eenpartijstaat op de helling maar nam ook de bereidheid toe om staatsgrepen in de kiem te smoren. Wat de Afrikanen vroeger overlieten aan Franse commando's of aan vredeslegers van de Verenigde Naties, doen ze nu zelf: militair orde op zaken stellen bij door rebellie bedreigde buren. De oudere leiders, die om hun lange dienstjaren en atavistische regeerstijl wel `dinosaurussen' worden genoemd, geven hun eigen uitleg aan deze nieuwe consensus. Zij redeneren: er is al genoeg gemorreld aan de status quo. En dan denken ze vooral aan het activisme van de `nieuwe leiders' in Kampala en Kigali.

Het resultaat van de jongste zetten en tegenzetten op het Congolese schaakbord is een patstelling. Congo ligt uiteen en geen van beide coalities - noch die rond de rebellen, noch die rond Kabila - ziet kans om de partij te beslissen.

Wanbeheer

Had Mobutu dan toch gelijk? Was na het vertrek van de Gids de zondvloed onafwendbaar? Jawel, maar Mobutu heeft de maalstroom waarin Congo nu beland is zelf veroorzaakt. De kiemen van de huidige Congolese crisis lagen in zijn ruim dertig jaar durende wanbeheer over het grootste, potentieel rijkste en - met negen buurlanden - meest centraal gelegen land van Midden-Afrika. Aan het begin van de jaren negentig restte er van de Congolese staat nog slechts een handjevol betrouwbare legereenheden, een veiligheidsdienst, een goeddeels onbetaald corps diplomatique, enkele presidentiele paleizen met bijbehorende staf en de Bank van Zaire. Alleen de repressieve en - voor de Gids zelf - lucratieve staatsapparaten bleven draaien en van dienstverlening aan de verpauperde bevolking - wegen, gezondheidszorg onderwijs - was geen sprake meer.

Het Luipaard uit Equateur brak in 1990 met de eenpartijstaat en liet allerhande partijtjes oprichten om serieuze rivalen te verzwakken. Die lokte hij vervolgens in zijn kamp met de opbrengsten van smokkelhandel in Zairese diamanten. Mobutu zette de talrijke etnische groepen van het land, van Katanga tot Kivu, tegen elkaar op om zijn onmisbaarheid te bewijzen als behoeder van de nationale eenheid. De Gids regeerde, in de woorden van de Belgische journaliste Colette Braeckman, als een `pompier pyromane', een brandstichtende brandweerman.

Mobutu's ongemotiveerde en onderbetaalde leger bleek op het moment van de waarheid niet in staat tot vechten en werd onder de voet gelopen door het rebellenleger van Kabila. Met steun van Rwanda Oeganda en Angola. Deze landen wilden korte metten maken met de regionale stokebrand Mobutu. Die gaf allerhande rebellen uit buurlanden de ruimte om vanaf zijn grondgebied te opereren en destabiliseerde zo heel Midden-Afrika.

En de vuren die hij opstookte, zijn nog steeds niet geblust.

Onder Mobutu raakte Congo betrokken bij de tweestrijd in die andere voormalige Belgische `kolonie', het door haat tussen Hutu's en Tutsi's gepolariseerde vroegere mandaatgebied Rwanda. Mobutu onderhield warme vriendschapsbanden met de Rwandese president Juvenal Habyarimana wiens autoritaire Hutu-staat sinds 1990 werd belaagd door een leger van Tutsi-emigres. Toen Habyarimana's vliegtuig in april 1994 werd neergehaald boven Kigali, begon zijn entourage een massamoord onder Tutsi's en democratisch gezinde Hutu's. Na de machtsovername in Kigali door Paul Kagame en zijn door Tutsi's gedomineerde Rwandese Patriottische Front bood Mobutu onderdak aan uitgeweken Hutu-extremisten, die zich schuldig hadden gemaakt aan genocide. Vanuit vluchtelingenkampen in Oost-Zaire ondernamen op revanche beluste Hutu's aanvallen op Rwanda. Ten slotte dreigde Mobutu's regime met onmiddellijke deportatie van Congolese Tutsi's in de oostelijke provincies Noord- en Zuid-Kivu. Dat was de druppel die de Grote Meren deed overlopen.

De nieuwe leiders in Kigali stuurden in oktober 1996 hun goed getrainde troepen naar het buurland en sloten een bondgenootschap met twee groepen Congolezen: Tutsi's uit Kivu en volgelingen van de op last van Mobutu vermoorde eerste premier van Congo, Patrice Lumumba. Dat was de Alliantie van Democratische Krachten voor de bevrijding van Congo-Zaire (ADFL). In het ADFL-leger vormden Rwandese officieren het kader.

Mobutu werd weggevaagd door deze aanrollende golf uit het oosten, die uiteindelijk neersloeg aan de benedenloop van de Congostroom. De Amerikanen lieten zich met enige stuurmanskunst meevoeren door deze golf.

Deels als Wiedergutmachung voor Washingtons afzijdigheid tijdens de genocide in Rwanda, hielpen zij Kagame bij de opbouw van zijn leger.

Misschien zagen de VS Kabila aanvankelijk als een `nieuwe leider-in-de-dop', omdat hij naar voren was geschoven door de nieuwe vrienden in Kigali en Kampala. De belangstelling in Washington was niet in de laatste plaats gewekt door de lucratieve contracten die Amerikaanse mijnbouwfirma's hadden gesloten met de rebel Kabila, toen die zijn opmars naar Kinshasa begon, en die hun toegang gaven tot Congo's rijke bodemschatten. De Fransen, op hun beurt, moesten retireren. Kabila en de zijnen verweten Parijs en zijn getrouwen in Afrika, zoals Omar Bongo van Gabon, Paul Biya van Kameroen en Gnassingbe Eyadema van Togo, dat zij Mobutu door dik en dun hadden gesteund. Alle Franse presidenten sinds Giscard d'Estaing waren met Mobutu van mening geweest dat alleen de Gids dit grote land voor chaos kon behoeden. De nieuwe machthebbers in Kinshasa werden in Parijs gezien als voorhoede van een `anglofoon komplot' tegen de leiders van Franstalig Afrika.

Kabila trad aan met het nodige krediet, maar slaagde er niet in de algemene onvrede over Mobutu te vertalen in een nationale coalitie. Kabila vervreemdde delen van het land van zich door ex-premier Etienne Tshisekedi en andere politici buiten de regering te houden. Hij kon bovendien niet de indruk wegnemen dat hij een zetbaas was van zijn oostelijke bondgenoten. Kabila's coalitie (de ADFL), de generale staf van de nieuwe strijdkrachten en Buitenlandse Zaken werden tot de breuk in juli gecontroleerd door Tutsi's die niets ondernamen zonder ruggespraak met Kigali. De opperbevelhebber van het leger James Kabarehe, diende zelfs het leger van Kagame.

Die Rwandese invloed bleek contraproductief bij Kabila's pogingen om steun te verwerven voor zijn opbouwplannen. Al of niet Rwandese Tutsi's zwaaiden de scepter in Kinshasa, wat onder de zelfingenomen kinois kwaad bloed zette.

Geleidelijk aan emancipeerde Kabila zich uit zijn rol van zetbaas en zocht hij elders in Congo een draagvlak voor zijn presidentschap, met name bij zijn clan- en stamgenoten uit Katanga. Hij slaagde er niet in een levensvatbaar alternatief voor het uiteengevallen leger van Mobutu te scheppen; het nieuwe leger was een los verband van tribale brigades, met als zwaartepunten (en tegenwichten) Tutsi's en soldaten uit Kabila's geboorteprovincie Katanga. In Oost-Congo werden tribale milities (Mai Mai), die alle Congolezen van Rwandese afkomst - Hutu of Tutsi - vanouds als ongewenste indringers beschouwen, opgenomen in het nieuwe leger. Hiermee bleken de oude onrusthaarden in de grensgebieden niet te pacificeren. Begin dit jaar verloren Kagame cum suis hun geduld met de eigenzinnige Kabila.

Leden van de rebellenregering in Goma geven het inmiddels openlijk toe: de Rwandezen, onder leiding van de chefstaf van het Congolese leger James Kabarehe, troffen voorbereidingen voor een staatsgreep in Kinshasa. Dat deed de deur dicht. Eind juli brak Laurent-Desire met zijn sponsors van weleer: Kabarehe werd de laan uitgestuurd en alle Rwandese militairen werden gelast te vertrekken. Daarmee was de breuk met de machthebbers in het Grote-Merengebied een feit en begon een geopolitieke kentering in Congo. De golf uit het oosten trok zich terug en veranderde in een zuigende draaikolk.

Misrekening

Op 1 augustus poogden Rwandese militairen zich meester ter maken van strategische punten in Kinshasa.

Die poging faalde. Op 2 augustus brak in noord- en zuid-Kivu een militaire opstand uit. Legeronderdelen bemand door Tutsi's, die zich bedreigd voelden door de uitzetting van hun Rwandese beschermheren, rebelleerden tegen Kabila. Ooggetuigen zagen in de eerste dagen van de revolte Rwandese legertrucks de grens met Congo overtrekken. Kigali's agenda was van meet af aan duidelijk: de veiligheidsbelangen van Rwanda waren gediend bij een bufferzone in Oost-Congo en een welgezind leiderschap in Kinshasa. Ook Oeganda koos de kant van de rebellen.

De onmiskenbare, maar nooit openlijk erkende interventie van Rwanda is ingegeven door wat de leiders in Kigali de `voortgezette genocide' noemen. Ook onder Kabila behielden Rwandese Hutu-fanatici vaste voet in Oost-Congo. Vooral de streek rond Masisi (Noord-Kivu) bleef een uitvalsbasis voor acties op Rwandees grondgebied van Hutu-militanten die niet verhelen dat zij de genocide van 1994 willen `afmaken'.

De door de rebellen geinstalleerde tegenregering in Goma gaf onlangs toe dat de opstand tegen Kabila niet kan bogen op een grote populariteit, noch in Kivu, noch elders in Congo. Volgens de rebellen `wordt er nu gewerkt aan een politieke basis voor de opstand'. De omgekeerde wereld: eerst rebelleren, dan een aanhang zoeken. Kabila greep de opstand aan om zijn toenadering tot Rwandese Hutu-revanchisten en Mai Mai te bezegelen - omdat hij door de revolte van de Tutsi's zijn beste troepen in het oosten had verloren. Deze elementen kregen bij hun recente aanvallen op het rebellenhoofdkwartier Goma enige hulp van stadsbewoners een aanwijzing temeer voor de impopulariteit van de Tutsi-rebellie.

De militaire strateeg Paul Kagame heeft politieke beoordelingsfouten gemaakt.

Rwandezen en Congolese Tutsi's waren nimmer geliefd in Kinshasa. Hun intocht in de hoofdstad, in mei 1997, werd alleen geduld omdat de kinois - en nagenoeg alle Congolezen - Mobutu meer dan beu waren. Maar hun reserves jegens Kabila waren niet vergelijkbaar met hun weerzin tegen de Gids. Alleen al daarom was een door Tutsi's geleide machtsovername in Kinshasa niet haalbaar. In de hoofdstad werd de uitzetting van de Rwandezen, eind juli, met gejuich begroet en die maatregel maakte Kabila populairder dan ooit.

Toen vooruitgeschoven rebelleneenheden eind augustus aan het inmiddels ingestorte westelijke front een wanhoopsoffensief ondernamen tegen Kinshasa en infiltreerden in de hoofdstad, werden niet alleen infiltranten, maar iedere Congolees die uit de verte leek op een Tutsi door uitzinnige kinois gelyncht. Al eerder waren bij razzia's in de hoofdstad onbekende aantallen Tutsi's opgepakt en geinterneerd. Rwanda's interventie heeft in Congo juist de geest uit de fles gehaald, waarvoor men in Kigali het meest beducht is: etnische haat. Kabila zelf heeft een opmerkelijke metamorfose ondergaan: de oud-revolutionair vertoont steeds meer trekken van een politieke dinosaurus. Hij toont zich gebiologeerd door machtsbehoud, maakt zich schuldig aan persbreidel en andere vormen van autoritair gedrag, verlaat zich hoe langer hoe meer op familieleden en streekgenoten en omhelst de vijanden van zijn voormalige vrienden, ook al waren die hem vroeger slecht gezind.

De leiders in Kampala en Kigali hebben zich ook verkeken op de rest van Afrika. Daar werd hun militaire tussenkomst in Congo beschouwd als agressie tegen een bevriende leider en als een ongewenste destabilisering van een strategisch gelegen buurstaat.

Landen als Zimbabwe, Angola en Namibie, die Kabila in 1997 aan de macht hielpen schoten hem opnieuw te hulp. De drie hebben heel verschillende motieven om in te grijpen, motieven die zijn terug te voeren op binnenlandse politieke problemen, rivaliteiten in Zuidelijk Afrika en economische belangen in het rijke Congo. Toch hebben ze een opvatting gemeen: het moet uit zijn met de militaire avonturen van Oeganda en Rwanda in Midden-Afrika. En die mening delen ze met oudgedienden elders in Afrika.

Zo voltrekt zich nu wat een jaar geleden nog ondenkbaar was: `revolutionaire' leiders komen op een lijn met de kampioenen van de status quo. President Omar Bongo van Gabon, na Eyadema van Togo de langst zittende leider van Franstalig Afrika, sloeg de brug. In zijn hoofdstad Libreville, waar de francofone `dinosaurussen' begin 1997 nog beraadslaagden over een eervolle aftocht voor hun belaagde vriend Mobutu kwamen zij medio september 1998 opnieuw bijeen. Ditmaal om Kabila hun steun te betuigen. Ministers uit Angola en Namibie kwamen in Libreville hun interventie toelichten. En het nieuwe verbond reikt inmiddels tot in Oost-Afrika. Ook de president van Kenia, Daniel arap Moi ooit een politieke vriend van Mobutu, omhelst Kabila.

Dat de kaarten in Afrika opnieuw en ingrijpend worden geschud, moge blijken uit Kabila's toenadering tot het moslim-fundamentalistische bewind in Soedan. Dat wordt in het zuiden geconfronteerd met een taaie, door Oeganda (en indirect door de VS) gesteunde rebellie. Begin september bracht Kabila een bezoek aan Khartoum, en sindsdien krijgt hij uit die hoek ten minste logistieke steun. Eritrea en Ethiopie, eveneens bestuurd door `nieuwe leiders' en net als Oeganda steunpilaren van het Soedanese verzet, gingen dit voorjaar met elkaar op de vuist, wat het kordon om Soedan verzwakte.

Met een handreiking aan Kinshasa denken de Soedanese leiders de omsingeling definitief te doorbreken.

Terroristen

De geopolitieke kentering in Congo dwingt de enige twee mogendheden die nog een rol spelen in Afrika - de VS en Frankrijk - tot een positiebepaling. Al was het maar omdat hun vrienden worden meegezogen in de Congolese draaikolk. Met zijn jongste manoeuvres heeft Kabila de gunst van de VS verspeeld. Zeker na de razzia's op Tutsi's, de alliantie met Hutu-fanatici en het een-tweetje met Khartoum is Kabila volgens de Amerikanen in het kamp beland dat zij als de Afrikaanse vijand zien: de club van `genocidaires' en `terroristen'.

President Clintons Afrikapolitiek, die zwaar leunt op de `nieuwe leiders' in Oost- en Midden-Afrika, is sinds zijn bezoek aan het continent, in maart, ernstig in het ongerede geraakt. Uitgerekend de nieuwe bondgenoten gooien roet in het eten met hun militaire avonturen. Woordvoerders van het State Department zeggen zich te houden aan de belofte die een berouwvolle Bill Clinton deed tijdens zijn bliksembezoek aan Rwanda: de VS zullen nooit meer lijdelijk toezien bij een genocide in Afrika. Tegelijkertijd distantieert het State Department zich van `enigerlei buitenlandse inmenging' - dus ook die van Rwanda - en zegt het te hechten aan de territoriale integriteit van Congo - die intussen zichtbaar is geschonden. De betrokkenheid van de `nieuwe leiders' bij de strijd in Zuid-Soedan heeft de zegen van Washington, maar het vergelijkbare activisme van Kampala en Kigali in Congo heeft de Amerikanen in verlegenheid gebracht.

De eerste reflex in Washington is: afwachten. Mocht de kentering doorzetten en zou de internationale coalitie rond Kabila oprukken naar Rwanda en Oeganda, ontstaat een nieuwe situatie.

Het is de vraag of Kabila de Angolezen en Zimbabweanen zover oostwaarts krijgt. Die hebben geografisch beperkte belangen en zijn vooralsnog niet bereid buiten deze belangenzones te opereren. Maar de jongste Soedanese bombardementen in het westen van Oeganda doen vermoeden dat het tegenoffensief wel eens uit het noorden kan komen. In Parijs beziet men de tijwisseling in Midden-Afrika met enig welgevallen. Daar lijkt men aan te sturen op normalisering van de betrekkingen met de ooit als anti-Frans gedoodverfde Kabila. Begin september werd een van Kabila's vertrouwelingen, minister van Transport Henri Mova Sakani in de Franse hoofdstad ontvangen door twee topadviseurs van president Chirac en door de staatssecretaris van Ontwikkelingssamenwerking, Charles Josselin. Mova Sakani kreeg als boodschap mee: Frankrijk heeft niets tegen Kabila en komt op voor de territoriale onschendbaarheid van Congo, maar voor deze oorlog bestaan alleen politieke oplossingen. Daaraan wil Frankrijk meewerken, zij het voorlopig alleen via zijn immer betrouwbare Afrikaanse intermediair, Omar Bongo.

Afrika heeft de tekenen des tijds verstaan. Sinds het einde van de Koude Oorlog heeft het continent zijn strategische belang verloren. Vuurhaarden worden niet langer getemperd door voor een Oost-Westconfrontatie beduchte kernmogendheden met voorposten in Afrika, en laaien opnieuw op. Want lokale conflictstof blijft rijkelijk voorhanden. Zowel Frankrijk als de VS suggereren een nieuwe aanpak van de brandhaarden op het continent: `afrikanisering' van het bluswerk, opdat de waterschade beperkt blijft tot Afrika. En dat is precies wat er nu gebeurt in Congo. De Afrikaanse brandweerlieden rukken echter uit met heel verschillende motieven. Een uitslaande brand, die de status quo in andere hoofdsteden bedreigt, kunnen ze voorkomen, maar bij gebrek aan eensgezindheid onder de spuitgasten blijven de vuurhaarden smeulen. Zowel aan de oevers van de Congo als tussen de Grote Meren.