Paniek

WAT WEINIGEN zich realiseren is hoe ongelooflijk Amerikaans het Internet is. Natuurlijk, we weten allemaal dat het net in Amerika is begonnen, en dat de meeste gebruikers nog altijd tussen New York en Seattle wonen. Wie wel eens geprobeerd heeft om in een niet specifiek Nederlandse babbelbox of nieuwsgroep eens wat woorden Nederlands te schrijven, heeft bovendien kennis mogen maken met de agressieve manier waarop de van huis uit taalgedepriveerde Amerikaan daarop reageert: `Speak English, jerk', is nog een van de beleefder reacties. Nooit van een Engelsman, Pakistaan of Australiër, maar altijd van een Amerikaan. Achter die agressie zit dan ook een typisch Amerikaanse vorm van achterdocht.

Amerika is het land van de `scares'. Elke maand heeft traditioneel zijn eigen angstaanjagende gebeurtenis, zijn eigen reden voor `nationwide' paniek. Een incident, gerucht of broodje aap, waar iedereen zich ineens verschrikkelijk zorgen om maakt en maatregelen tegen eist. Vaak verdwijnt het onderwerp weer even snel als het opkwam, meestal doordat het simpelweg verdrongen wordt door de volgende `scare'.

De meeste van die paniekaanvallen laten weinig sporen na, en worden bij ons nooit bekend. Maar het verhaal over de kinderen die met Halloween, zoiets als Sint Maarten, van vreemden sinaasappels met scheermesjes erin kregen toegestopt, haalde ooit ook hier de kranten. En ook het feit dat tegenwoordig alle hersluitbare potjes en tubetjes in winkels op de een of andere manier verzegeld zijn, is het directe gevolg van een scare: de Tylenol-scare. Eind 1982 overleed in het westen van de VS plotseling een handvol mensen, meest bejaarden, kort na het gebruik van Tylenol, het Amerikaanse aspirientje bij uitstek. Paniek brak uit toen bleek dat de foute pilletjes allemaal uit dezelfde winkel kwamen, en er bovendien een bewakingsfoto opdook van een morsig type dat in die winkel in het Tylenol-schap stond te rommelen. Terroristen waren bezig het land te vergiftigen, wist men meteen. En hoewel zich nooit meer een geval voordeed en niemand ooit betrapt werd op het hervullen van potjes, wordt sindsdien wereldwijd zo ongeveer alles behalve potten erwten en bonen verzegeld. Natuurlijk wezen sommigen op de mogelijkheid van een productiefout. Maar de fabrikant was zo wijs geweest onmiddellijk alle Tylenol in heel Amerika van de schappen te halen, en heeft altijd ontkend dat er aan het product iets mankeerde.

Precies die sfeer van hetzerige geruchten en paniekerige verhalen kennen fervente internetters maar al te goed. Het onschuldigst zijn spookvirussen. Dat zijn verhalen die de ronde doen over virussen, liefst virussen die in onschuldige e-mail zouden schuilgaan, die vervolgens helemaal niet blijken te bestaan. `Good times' was het eerste spookvirus dat grote bekendheid kreeg. Het was een studentengrap, bedacht in, uiteraard, Amerika, aan Swarthmore College, die uit niet meer bestond dan een massaal via de nieuwsgroepen van Usenet verspreide waarschuwing tegen e-mailberichtjes met als onderwerp `Good Times'. Wie een aldus getiteld berichtje zou lezen, zo ging het bericht, zou getroffen worden door een compleet gewiste harde schijf. Als elke goede practical joke bevatte de waarschuwing een dodelijke weggever. Dit keer was dat het detail dat het virus, met zijn `ongeëvenaarde destructieve kracht', was ontwikkeld door een gebruiker van America On-Line, terwijl `AOLer' onder Amerikaanse internetters synoniem is met oen. Maar de studenten, zelf Amerikanen, verkeken zich op de `scarability' van de overwegend Amerikaanse net-bevolking. Good Times werd een echte scare van formaat. Zelf nu duikt de waarschuwing nog geregeld her en der op.

Dezelfde Amerikaanse paniekerige hijgerigheid kenmerkt de vaak overspannen berichten over beveiligingslekken in browsers en dergelijke. Iedere geconstateerde onvolkomenheid is meteen een `serious security risk', alsof `ze' vannacht nog via het laatje van de CD-ROM je vrouw komen stelen. Dat gebrek aan onderscheid en nuance is typisch voor de oer-Amerikaanse `scare'-cultuur — en onze eigen media nemen het helaas graag over. Maar het is ook zorgwekkend, omdat juist daardoor het verschil wordt versluierd tussen potentieel echt gevaarlijke dingen, zoals Back Orifice, en lekken die vooral theoretisch vervelend zouden kunnen zijn, of zelfs niet bestaan.

Nog een graadje destructiever zijn de wilde verhalen over hackers die overal `inbreken'. Zelden zie je daarbij iets over aangerichte schade staan. Nu hoor je wel zeggen dat gehackte bedrijven en instellingen de schade liever verzwijgen, maar waarom zouden ze dan wel het blote feit van de inbraak aan de grote klok hangen? Het draagt allemaal bij aan een klimaat van onveiligheid en onbehagen waar op het eerste gezicht niemand mee gediend lijkt. Of toch wel? Dat ga je je afvragen als je kijkt naar de eindeloze stroom meldingen van computerinbraken door allerhande snotneuzen in systemen van het Amerikaanse leger en aanverwante instellingen.

Al jarenlang wordt, lijkt het, in de VS (en blijkbaar nergens anders) in de ene staatsgeheime databank na de andere kerncentrale ingebroken, zonder dat er ooit iets aan de beveiliging lijkt te verbeteren. Onlangs meldde de AFCEA, de Amerikaanse `Armed Forces Communications and Electronics Association' dat `cyberterroristen' de medische netpagina's van het leger hadden gekraakt, en bloedgroepgegevens van employees hadden veranderd. Schandelijk, als het waar is. Maar wat doen zulke gegevens überhaupt op netpagina's die ook maar in de verste verte van buitenaf bereikbaar zouden kunnen zijn? En om even méé te `scaren', het gerucht gaat dat deze `hack' verzonnen is. Is dat waar, dan hebben we te maken met door het Amerikaanse leger georganiseerde scares.

Je vraagt je af of zo'n Israelisch wijsneusje van 16, dat een tijd geleden beschuldigd werd van inbraak in computers van het Pentagon, niet gewoon gebruikt wordt om angst te zaaien. Met welk doel? Fondsenwerving misschien, of wellicht het middels het typisch Amerikaanse middel van de scare rijp maken van de samenleving voor het verlenen van nog meer bevoegdheden aan leger en politie.