Op de grens

Prof. dr. V. Westhoff, inmiddels over de tachtig, herinnert zich dat hij in '46 deel uitmaakte van een door de regering ingestelde Annexatiecommissie. Uitbreiding van Nederland tot aan de Weser - dat moest grondig worden voorbereid. In zijn persoonlijke archief kan hij de stukken niet terugvinden. Misschien zijn ze terechtgekomen bij zijn toenmalige werkgever, de ANWB. De ANWB had twee mensen in die commissie: een voor toerisme en verkeer en een voor natuur en landschap. Westhoff uiteraard voor de natuur.

Hij herinnert zich geen vergaderingen, geen voorzitter, geen eindverslag. Wel het vergaren en uitvlooien van literatuur over de betreffende gebieden, en dat hij zich over de stafkaarten boog, die als oorlogsbuit aan de ANWB waren toegevallen. Zo ontdekte hij het bestaan van een hoogveengebied aan de kust bij Bremen, dat op en neer ging op het ritme van eb en vloed. En laten we eerlijk zijn, de Oost-Friese eilanden zouden een prachtige aanvulling zijn geweest op onze Wadden.

`Maar dat hadden de grote mogendheden toch nooit goedgekeurd', zeg ik.

`Nederland beschouwde zichzelf nog een beetje als een grote mogendheid', zegt hij. `We hadden Indie nog.'

Vandaag de dag kun je je over deze annexatieplannen makkelijk vrolijk maken. Maar de werkelijkheid van '46 was een andere dan die van '98.

Nederland, zegt Westhoff, schreeuwde om wraak. Niet, niet direct voor de holocaust. De vervolging van de joden was nog niet in haar volle omgang tot het bewustzijn doorgedrongen, die zou pas later uitgroeien tot de overheersende oorlogsherinnering.

Wraak voor de verwoesting van steden en dorpen, de roof van goederen en productiemiddelen het vermoorden en martelen van werkelijke of vermeende politieke tegenstanders, de zinloze vernielingen die op het eind van de bezetting nog waren aangericht: haventerreinen opgeblazen, polder onder water spoorlijnen onbruikbaar gemaakt.

Maar met `wraak' kon de annexatie van Duits grondgebied natuurlijk niet worden gelegitimeerd. De formele argumenten lagen op het vlak van de schadevergoeding, herstelbetaling. Aan deze argumenten nu ontviel de urgentie door de Marshall-hulp.

Dat in 1949 een paar lapjes Duitsland, in totaal niet meer dan enkele tientallen vierkante kilometers, onder Nederlands bestuur werd geplaatst mag een zoethoudertje worden genoemd.

In 1951 werd de oorlogstoestand formeel beeindigd en negen jaar nadien, in april 1960 sloten Nederland en Duitsland het zogeheten Ausgleichsvertrag. De Bondsrepubliek verplichtte zich tot betaling van 280 miljoen DM (125 miljoen voor de slachtoffers van het nationaal-socialisme, de rest als afkoopsom voor geroofde goederen en waardepapieren) en kreeg in ruil daarvoor de lapjes van '49 terug.

Elten en Tudderen, dat weet iedereen, moesten we toen opgeven, maar de Duivelsberg, en dat weet niet iedereen, hebben we toen behouden.

Duivelsberg, even ten oosten van Berg en Dal, aan de rand van het Rijk van Nijmegen.

Westhoff schrijft deze miraculeuze redding toe aan zijn connecties met Van der Goed van Naters. Die was fractievoorzitter van de PvdA in de Tweede Kamer, die kwam uit Nijmegen, die was een groot natuurliefhebber, die had een zomerhuisje op de Duivelsberg.

Dat de Duitsers zich bij dit verlies neerlegden kwam ongetwijfeld doordat er geen Duitsers woonden.

Dus dat heeft de annexatiebeweging van '46 uiteindelijk opgeleverd: een stuk bos met de Nederlandse, in plaats van Duitse nationaliteit.

Ik ken dat bos. Het heeft aantrekkelijke steiltes en verbluffende dieptes; het koestert, zo aan de buitenkant van ons land, een broze stilte.

Ik was er in mijn Nijmeegse tijd wel eens geweest om tamme kastanjes te zoeken. Ik was er later nog eens teruggeweest om in twee soorten donker vleermuizen op te sporen: eerst in het donker na het vallen van de avond daarna in het donker voor het aanbreken van de dag. Maar ik was er nog nooit wezen wandelen met Victor Westhoff.

Heuvel op, heuvel af. Overal het lichtende groen van adelaarsvaren, het ruisen van de regen op het bladerdak.

Ik herinner me dat we op een gegeven moment van een flinke hoogte neerkeken op een poeltje dat de Heksendans wordt genoemd en dat Westhoff daar zei dat er al in de Romeinse tijd klei moet zijn afgegraven, en dat deze hellingen eigenlijk te kwetsbaar zijn voor betreding door grote aantallen kastanjezoekers.

Ik herinner me dat we een prachtige boswei overstaken en dat Westhoff het over mossen had die waren verdwenen van de kanten van holle weggetjes (`slachtoffers van luchtvervuiling') en over maagdenpalm die zich nog net wel of al net niet meer staande wist te houden tussen brandnetel en braam (`slachtoffer van de eutrofiering') en dat we even verderop uitkwamen bij een wilde appel aan de voet waarvan de weee herfstgeur werd verrijkt met het kruidige aroma van gevallen fruit.

Ik herinner me de gevlekte dovenetel, die bloeide nog, en dat Westhoff voortdurend op zijn hurken zat en wat aanwees en dan zeldzaam zei, of zeer zeldzaam, of de enige vindplaats in ons land. En dat we in een warrig begroeid dalletje kwamen dat het filosofendal wordt genoemd, waar we langs een vrijstromend waterloopje opklommen naar het brongebied, zomaar een moerasje - zo'n moerasje vind je in heel Nederland niet.

En ik zie in mijn aantekeningen dat we het niet alleen over wilde appel, maar ook over wilde kers en wilde mispel hebben gehad, en over de karakteristieken van een eiken-haagbeukenbos, en over goedveil, rapunzel, nagelkruid, stekelvaren, ruige veldbies en boskruiskruid, en een mosje dat verder in Nederland is uitgestorven.

Maar ik zie vooral in mijn aantekeningen dat het regende. Krabbels waartussen het verband is zoekgeraakt door uitgelopen inkt, papier dat door opgezogen water de bobbeligheid van oud behang heeft gekregen.

Het goot werkelijk van de regen en - wat in Nederland toch ook zeldzaam is - het bleef gieten van de regen, de hele dag.

Ik zeg: `Als dit bos nog in Duitsland lag, dan hadden we hier toch ook wel kunnen wandelen?'

En Westhoff: `Maar zij waren er vast niet zo zuinig op geweest. Voor ons is dit bijzonder, voor hen zou het een marginaal bosje zijn. Laten we zeggen dat we dit niet voor Nederland, maar voor de natuur behouden hebben.'