Niemand die op hem wacht

In mijn jeugd moest je nog naar Parijs om een zwerver te zien. Hij zag eruit als Swiebertje, maar sliep onder een brug met een half lege fles goedkope wijn tegen zich aangedrukt. Een beetje romantisch, een beetje tragisch, levend in de schaduw van een groot geheim, en bijna altijd een al wat oudere man. Nog altijd zijn de meeste zwervers mannen, maar ze zijn nu van alle leeftijden, van alle nationaliteiten ook en de alcohol heeft gezelschap gekregen van allerlei soorten drugs.

Je hoeft er niet meer voor naar Parijs, de zwerver, de dakloze en de bedelaar zijn inmiddels in alle wat grotere steden vertrouwde figuren geworden. Sommigen zijn ook onmiddellijk herkenbaar als zwervers. Ze dragen lompen, ze stinken, ze graaien in vuilnisbakken of bedelen om een gulden. Dat zijn de zwervers die het beeld bepalen, maar de meesten zijn alleen met enige moeite als zodanig te herkennen. Een uurtje rondkijken in de hal van een groot station is echter meestal al voldoende om met enige zekerheid vast te stellen wie daar mogelijk wel tot de zwervers en zeker niet tot de reizigers hoort. Nederland telt steeds meer zwervers en dak- en thuislozen.

Er is een wat heilloze discussie ontstaan over de vraag of iedere thuisloze nu ook een dakloze is (nee) en je pas echt van een zwerver kunt spreken als iemand ook 's nachts echt dakloos is (nee), maar bij alle verschillen is het verbindende element toch dat er geen eigen voordeur meer is die men achter zich kan sluiten. Waar geen voordeur is, is ook geen huishouden meer, laat staan een gezin of een partner en in de meeste gevallen is door werkloosheid of arbeidsongeschiktheid ook iedere structuur uit de dag verdwenen. De dagen zijn lang en leeg geworden. Thuislozen - dat is tegenwoordig de meest gebruikte, algemene term - hebben vaak wel `bed, bad en brood' en soms nog wat meer, maar het is niet hun bed en niet hun bad of brood.

Er zijn voor hen allerlei vormen van maatschappelijke opvang (in Vlaanderen wat vrolijker `onthaalcentra' genaamd) gekomen: passantenverblijven, internaten, dienstencentra, soepbussen, sociale pensions, begeleide woonvormen, stoelenprojecten, eettafels brievenbusadressen , dagverblijven en werkprojecten.

De meeste voorzieningen zijn te vinden in de oude wijken van de grote steden en de lokale variatie is groot. Er zijn commerciele pensions naast voorzieningen van het Leger des Heils, soms verzorgt de GG en GD een inloopspreekuur of zijn er vrijwilligers die soep en dekens uitdelen aan de echte zwervers die ook in de winter zo lang mogelijk buiten blijven slapen. Er is altijd te weinig geld en zeker als het echt koud is, kan het aantal bedden en stoelen te klein blijken te zijn.

Marius Nuy, van huis uit maatschappelijk werker, is samen met zijn eerste promotor, Paul Heydendael, al meer dan 20 jaar actief als onderzoeker naar het probleem van de thuisloosheid in Nederland. Als voorzitter van het Landelijk Platform Thuislozenzorg en hoofdredacteur van het tijdschrift voor maatschappelijke opvang `Passages' is hij ook een van de centrale figuren in het netwerk van de professionals in deze sector. Hij weet van het onderwerp ontzettend veel (`te veel', verzuchtte een van de opponenten tijdens de promotie), maar toch is het ook voor hem moeilijk aan te geven om hoeveel mensen het in Nederland nu eigenlijk gaat. 30.000 mensen, van wie 5.000 nog niet volwassen, lijkt op grond van de verschillende berekeningen die hij in zijn boek geeft, een redelijk veilige en misschien zelfs wat voorzichtige schatting. Dat is procentueel niet veel op het totaal van de bevolking (0.02%, maximaal 0,03% schat Nuy), maar het zijn natuurlijk absoluut toch grote aantallen en ze nemen van jaar op jaar toe.

Thuislozen zijn niet gemakkelijk te tellen: er zijn definitieproblemen (is iemand die vaak bij familie of vrienden kan logeren, wel een `echte' thuisloze?), de populatie is sterk vlottend zowel in de tijd als naar de plaats van verblijf gezien, en er zijn nogal wat thuislozen die nooit of vrijwel nooit van de voorzieningen gebruik maken.

Het beste moment om te tellen is als het een paar nachten flink gevroren heeft en ook de meest geharde zwerver wel beschutting wil.

Thuisloosheid is nu een zaak van hulpverleners geworden, maar tot ver na de oorlog was de thuisloosheid die zich als zwerven manifesteerde strafbaar als bedelarij en landloperij (daarom zat Bromsnor ook altijd achter Swiebertje aan). De roep om decriminalisering van de landloperij was overigens al een eeuw geleden hoorbaar, maar inmiddels zal men zo hier en daar al wel weer spijt hebben dat het desbetreffende artikel van het Wetboek van Strafrecht niet meer bestaat. Al lang voor die tijd overigens was het primaat al van de straf naar de zorg overgegaan en tegenwoordig betekent dat ook dat men steeds meer probeert `de verantwoordelijkheid voor het eigen leven terug te geven aan de thuisloze'. Op sommige plaatsen beheren zij zelf de opvangvoorzieningen en de verkopers van de straatkrant behoren nu tot de vaste inventaris van de winkelcentra. Wie al weer zover is, is al een eind op de weg terug naar de samenleving.

De sociale kenmerken van de thuisloze vertonen, zo laat Marius Nuy in zijn proefschrift zien, een grote mate van continuiteit en zijn nu nauwelijks anders dan vijftig jaar geleden. Het is een vreugdeloze opsomming van een gemis aan alles wat het leven de moeite waard maakt en ook structuur geeft. De thuisloze is alleen, werkt niet, heeft weinig opleiding, kan niet goed met geld omgaan, heeft geen sociaal netwerk van betekenis meer is meestal verslaafd aan alcohol, drugs, tabak, gokken en medicijnen heeft veel psychische problemen en is ook lichamelijk vaak niet gezond. Vroegkinderlijke verwaarlozing, pedagogisch en affectief, komt veel voor maar uiteindelijk is het toch een ongelukkige samenloop van veel ongunstige omstandigheden die iemand tot een thuisloze kunnen maken.

Thuisloosheid is niet het gevolg van maatschappelijke uitstoting, maar van maatschappelijk wegglijden. De weg terug is erg moeilijk, al is het jammer dat het boek van Nuy nu juist daarover vrijwel niets vertelt. Er is ook weinig systematisch over bekend, omdat het daarvoor nodig zou zijn een grote groep thuislozen langere tijd te volgen en dat is nu weer juist zo lastig. Longitudinaal onderzoek betekent onvermijdelijk dat zich een band tussen onderzoeker en onderzoeksgroep ontwikkelt, dat er een zekere betrokkenheid en verantwoordelijkheid over en weer ontstaat. Dat is voor de onderzoeker moreel en emotioneel lastig als het gaat om mensen met wie het slecht gaat. Voor de thuisloze is het een vaak onaanvaardbare binding, waaraan hij zo snel mogelijk zal willen ontsnappen. Het is moeilijk je het leven van een thuisloze voor te stellen. George Orwell heeft in Down and out in Paris and London (1933) over zijn eigen ervaringen kunnen vertellen. Nuy roept iets van dat beeld op met een reeks van door thuislozen zelf gemaakte foto's, maar de uitvoerige analyse van het leven van een thuisloze man, die hij op basis van het levensverhaal van de man zelf maakt, laat pas zien hoe en waar het in een leven mis ging en mis bleef gaan.

De verwijzing naar de foto's en de casestudy toont al dat dit een wat ongewoon proefschrift is. Dat is het zeker, maar het experiment is helaas niet in alle opzichten geslaagd te noemen. Wie het literatuurhoofdstuk van zijn proefschrift onder de titel `Een kathedraal van kennis' laat uitdijen tot meer dan 200 pagina's en 727 voetnoten, doet zijn lezers al heel wat aan. Als die gigantische hoeveelheid literatuur dan ook nog eens zo besproken wordt dat het toch niet duidelijk wordt wat al die `oude' auteurs nu zelf gezegd hebben, dan neemt de irritatie al behoorlijk toe.

Als dan het hele boek ook nog eens geschreven is in een stijl die ongetwijfeld literair bedoeld is, maar toch het meest wegheeft van een pan vol moeilijke woorden die vreselijk staat over te koken, dan weet je weer eens zeker dat heel veel minder zoveel meer geweest zou kunnen zijn.

Het ongeluk begint eigenlijk al met de titel. Het lijkt zo mooi `de odyssee van thuislozen' en in de Engelse samenvatting hoor je in `The odyssey of the homeless' Homerus zelf in de titel voorbijkomen, maar het beeld is toch echt fout. Odysseus was op weg naar huis en zijn vrouw wachtte daar op hem. Hij had een doel waar hij van afgehouden werd, maar uiteindelijk kwam hij toch thuis. De thuisloze van nu wil een huis - letterlijk zo volgens de citaten bij Nuy -, maar zijn probleem is nu juist dat hij zijn huis is kwijtgeraakt. Er is niemand meer die op hem wacht en zijn leven is doelloos geworden. Dat maakt hem tot een zwerver, waar Odysseus een koning op weg naar huis blijft.