`Moordenaars zijn verschrikkelijk alleen'; Journaliste en schrijfster Gitta Sereny doorvorst misdadigers:

Intensief en lang sprak zij met nazi-misdadigers. De intieme portretten die dat opleverde, zijn schokkend: Gitta Sereny legt hun menselijke kant bloot. Dezelfde methode volgde ze voor Mary Bell, die als 10-jarig meisje twee jongetjes ermoordde. `Ik ben uitzonderlijk geinteresseerd in het antwoord op de vraag: waarom?'

Of de zaken waarmee ik me bezighoud in mijn hoofd blijven spoken? Daar heb ik geen last van. Hoewel, als ik eerlijk ben, Stangl heeft me achtervolgd. Het heeft lang geduurd voor ik die episode van me af kon zetten.' Gitta Sereny lacht het weg, zoals ze steeds zal doen wanneer ze over zichzelf spreekt. De Oostenrijker Franz Stangl was de commandant van het vernietigingskamp Treblinka. Begin jaren zeventig zocht de journaliste Sereny hem op in de gevangenis in Dusseldorf, waar hij in 1970 tot levenslang was veroordeeld wegens zijn aandeel in de moord op negenhonderdduizend mensen. De gesprekken die ze met Stangl voerde verwerkte ze in Into that Darkness, een ijzingwekkende studie van de Holocaust vanuit het gezichtspunt van een beul.

Maar hoe zwaar het werk aan dat boek ook geweest moet zijn, het bleek het begin van een klein, samenhangend oeuvre. Gitta Sereny is een van de meest gerespecteerde journalisten van Engeland. In haar boeken probeert ze steeds opnieuw door te dringen in de duisternis van de menselijke geest. Drie jaar geleden verscheen haar magnum opus, het meesterlijke Albert Speer: His Battle with Truth, gebaseerd op de wekenlange gesprekken die ze voerde met Hitlers bouwmeester en vertrouweling, wiens openlijke schuldbekentenis hem in Neurenberg redde van de galg. Sereny's methode is een mengeling van welwillendheid en onverzettelijkheid. Speer, die zijn algemene schuldbelijdenis vaak gebruikte om zijn specifieke kennis van nazi-misdaden te verdoezelen, krijgt van haar alle ruimte om zijn verhaal te vertellen, maar nergens laat Sereny hem wegkomen met verdraaiingen van de feiten en tegenstrijdigheden; het beeld ontstaat van een man die, alle mea culpa's ten spijt, zijn eigen betrokkenheid bij de verschrikkingen van de Holocaust maar moeilijk onder ogen kan zien.

Speers verhaal wordt aangevuld met tal van getuigenissen van medewerkers en familieleden zodat een panoramisch en bij tijd en wijle verbijsterend beeld ontstaat van de bovenlaag van het Derde Rijk, met de ongrijpbare figuur van Hitler als magnetisch middelpunt.

“De opzet achter dat boek was die van de symfonie. Het persoonlijke verhaal van Speer is een thema, dat zich langzaam uitbreidt. Tussen Speer en mij ontwikkelde zich tijdens de laatste jaren van zijn leven een bijzondere verhouding. Hij was een man die werkelijk wanhopig zocht naar de waarheid in zichzelf. Dat proces van bewustwording begon tijdens zijn twintigjarige gevangenschap in Spandau en je kunt zeggen dat het zich in onze gesprekken heeft voortgezet.'

Ik spreek Sereny in haar flatwoning in het Londense Kensington, waar ze woont met haar echtgenoot, de Britse fotograaf Don Honeyman. Ze is een kleine, bewegelijke vrouw, met een heldere stem waarin naarmate ons gesprek vordert steeds sterker het accent van haar geboortestad Wenen doorklinkt. Ze zegt dat ze Speer veel verschuldigd is. “Intellectueel gezien was hij veruit mijn meerdere. Hij wist veel meer dan ik. Dat was ook logisch, tijdens zijn gevangenschap had hij meer dan vijfduizend boeken gelezen. Maar ik wist heel goed wat ik van hem te weten wilde komen. Hij heeft me meer over Hitler en het Derde Rijk verteld dan alle anderen die ik gesproken heb. Hij heeft me werkelijk geholpen dingen te begrijpen die niemand me kon uitleggen. In die zin heb ik veel aan hem te danken.'

En heeft Speer, die in 1981 overleed, niet ook veel aan haar te danken gehad? “Nee, nee, hij zou mijn boek verschrikkelijk hebben gevonden. Ik had het nooit kunnen schrijven wanneer hij nog geleefd had.

Speer gaf tijdens zijn leven honderden interviews, schreef twee boeken over de nazi-tijd, maar hij was uiterst terughoudend over zijn persoonlijke gevoelens. Wat ik over hem schreef, al die intieme details over zijn karakter, zou hij niet hebben kunnen verdragen.'

Mijn vraag naar haar persoonlijke betrokkenheid bij deze pijnlijke onderwerpen wordt lachend van de hand gewezen. “Mijn motieven zijn niet zo mysterieus. Ik ben uitzonderlijk geinteresseerd in het antwoord op de vraag: waarom? Dat is het enige waarnaar ik zoek. In het geval van Stangl en Speer lijkt me dat ook uitermate belangrijk, want het is ons nog steeds een raadsel hoe een excellente cultuur als de Duitse, deze oude, voorname, christelijke natie, tot zulke verschrikkingen in staat was. Die vraag houdt inmiddels drie generaties bezig.'

Haar zoektocht naar het waarom doet haar mensen opzoeken die meestal veilig gerangschikt worden onder de abstracte noemer van het kwaad. Wat haar boeken over Stangl en Speer schokkend maakt, zijn juist niet zozeer de misdaden van de nazi's, overbekend als die zijn, maar de al te menselijke details in de levens van deze misdadigers. De onverbiddelijke manier waarop Sereny een menselijke context geeft aan zaken die bij uitstek als onmenselijk gelden, moet veel mensen geschokt hebben. “Eerlijk gezegd verwachtte ik toen Into that Darkness in 1974 verscheen veel boze reacties, omdat het in die tijd nauwelijks acceptabel gevonden werd om dat onderwerp, en zo'n man, op zo'n onbevangen manier te benaderen. Ik dacht dat veel overlevenden uit de kampen boos zouden zijn, joodse groeperingen en critici. Maar dat was niet zo, integendeel, het leek zelfs wel of deze mensen beter dan wie ook begrepen waar het mij om ging.

Wel waren twee joodse historici in de Verenigde Staten diep gekwetst dat ik, een niet-joodse, deze man had opgezocht en met hem praatte alsof hij een menselijk wezen was. Dat begreep ik wel, maar ik kon daar niets mee.'

Haar toon wordt beslist. “Je kunt dit werk niet doen, of het nu om een lange reportage gaat of om een boek, zonder de geinterviewde precies duidelijk te maken wat je bedoelingen zijn. Je kunt er geen geheime agenda's op nahouden. Als ze nee zeggen, zit er niets anders op dan te vertrekken. Mij is dat nooit gebeurd, niet bij Stangl, Speer en anderen, omdat ze allemaal een enorme behoefte voelen om te praten over wat ze gedaan hebben. Iets anders is dat je het niet goed kunt doen zonder een persoonlijke relatie met deze mensen aan te gaan. Op dat punt heb ik hevige kritiek te verduren gehad. Begrijp me goed, van vriendschap kan geen sprake zijn, daar moet je te veel afstand voor in acht nemen. Dat is de discipline die serieuze journalistiek vereist. Het is ook gevaarlijk om herinneringen bij zo iemand los te maken. Je moet de gevolgen voor je rekening durven nemen. Het vereist tijd en inspanning. En dat is meteen het grote probleem. Het is tegenwoordig niet gemakkelijk meer boeken als de mijne te schrijven. Uitgevers hebben domweg het geld niet of het geduld.'

Wie de werken van Sereny leest, stuit al snel op het beeld dat er aan ten grondslag ligt: dat van het beschadigde kind. Het duikt op in haar boeken over de nazi's Stangl en Speer en in de twee boeken die ze schreef over de Engelse Mary Bell, die als 10-jarig meisje twee jongetjes vermoordde. “Ik bedoel het zeker niet als een excuus, mensen zijn verantwoordelijk voor hun eigen daden, maar zowel Stangl en Speer kwamen uit gezinnen waarin de ouders hun kind afwezen.

Stangl vertelde me een veelzeggende jeugdherinnering. Als klein jongetje liep hij op een ochtend op zijn nieuwe pantoffels de sneeuw in. Even voelde hij zich de koning te rijk in die oogverblindende witte wereld, totdat hij in de witte verte een kleine zwarte stip zag naderen - zijn vader, die hem voor de zoveelste keer een afranseling kwam geven, tot bloedens toe. In de verbeeldingswereld van dat jongetje zie ik niets kwaads, en toch groeide hij op tot een monster. Ouders hebben een beslissende invloed op het beeld dat een kind van zichzelf heeft. Mary Bell had een afschuwelijk zelfbeeld maar zij heeft het ook onvoorstelbaar hard te verduren gehad. Haar moeder een prostituee, heeft tot vier keer toe geprobeerd haar te vermoorden en liet haar als kleuter seksueel misbruiken door haar klanten.'

Het is niet moeilijk Sereny's gedreven interesse voor emotioneel beschadigde kinderen te herleiden naar haar eigen ervaringen. Tijdens de oorlog en daarna werkte ze als jonge vrouw voor de UNRRA, de organisatie van de Verenigde Naties die zich bezighield met de opvang van kinderen. Zelf was ze begin twintig, maar door de oorlog had haar leven toen al tal van onverwachte wendingen genomen.

“Ik ben in Wenen geboren. Mijn vader was een Hongaar, mijn moeder van oorsprong een Duitse. Mijn vader stierf toen ik twee jaar oud was. Mijn moeder was actrice. Ik geloof niet dat ze echt geweldig was, ze was gewoon heel mooi. Ik zelf wilde ook de planken op en op mijn veertiende werd ik aangenomen op de academie van Max Reinhardt. Toen in 1938 de nazi's kwamen was mijn moeder verloofd met de econoom Ludwig von Mises, een jood. Hij woonde in Zwitserland en we kregen het bericht dat de nazi's mijn moeder wilden arresteren om mijn stiefvader, die als gevaarlijk werd beschouwd, naar Wenen te halen.

We moesten vluchten. Ik begreep natuurlijk wel dat ik op mijn vijftiende niet alleen in Wenen kon blijven, maar in Zwitserland stuurden ze me naar een finishing school, en ik vond het daar zo gruwelijk dat ik ben weggelopen. Ik ben in mijn eentje naar Parijs gegaan. Daar werkte ik de eerste jaren van de oorlog met kinderen die in de steek gelaten waren of hun ouders verloren hadden. “Ik was absoluut geen heldin, maar zoals zoveel jongeren in die jaren pleegde ik kleine verzetsdaden tegen de Duitsers. Een sympathieke Duitse officier van de inlichtingendienst heeft me getipt dat ze me zouden oppakken. Ik ben toen gevlucht, te voet de Pyreneeen overgegaan en vanuit Spanje per schip naar Amerika gereisd. Heel spannend allemaal. Als oorlogen niet zo opwindend waren, denk ik wel eens, zouden er niet zoveel zijn. Ik zal vast ook wel bang geweest zijn, maar ik herinner me er niets van.'

In Amerika voelde ze zich schuldig, zegt ze. Ze meldde zich aan bij de UNRRA en nog voor het einde van de oorlog keerde ze terug. “De nazi's hadden tweehonderdvijftigduizend kinderen gestolen van ouders in Oost-Europa en ze ondergebracht bij Duitse echtparen. We stuitten daar min of meer bij toeval op. Het confronteerde me met een verwarrend moreel probleem. De kinderen die ik aantrof waren jong en moesten uit die gezinnen gehaald worden, waar ze vaak erg gelukkig waren. Ze spraken vaak alleen nog maar Duits. En ik moest hen opvangen zonder dat ik ervoor opgeleid was. Via het Rode Kruis wisten we sommige ouders te achterhalen.

“Ik ben meegegaan met de eerste trein die een aantal Poolse kinderen naar huis bracht. De vreugde van ouders die hun kind terugzagen zal ik nooit vergeten. Degenen die geen ouders meer hadden, werden liefdevol door dorpelingen opgenomen.

Maar de kinderen zelf waren verward. Daarbij kwam ook nog dat de Amerikanen niet toestonden dat voormalige Russische kinderen terug naar Rusland gingen. Dat zouden toch maar Bolsjewieken worden en het was een goede zaak die kinderen daarvoor te behoeden en naar Canada of Australie te sturen. Het was hartverscheurend. Ik heb gevochten als een leeuw, tientallen petities opgesteld, maar het mocht niet baten. Die geroofde kinderen zijn een tot nu toe vergeten hoofdstuk in de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog.'

Sereny kreeg ook te maken met kinderen die uit werkkampen terugkwamen. “Die kinderen hadden gruwelijke dingen gezien en ook zelf moeten doen om te overleven. Velen van hen hadden hun ouders zien sterven. Dit waren kinderen van dertien die geestelijk volkomen vervreemd waren geraakt van hun omgeving. Het enige wat ze wilden was degenen pijn doen die hun pijn hadden gedaan. Je zag het aan hun verkrampte gezichten, aan hun lichaamshouding, je kon hen 's nachts horen schreeuwen in hun slaap. Ze waren meestal onhandelbaar. Ze leken erg op Mary Bell. De oorsprong van alles wat ik daarna heb gedaan ligt in mijn ervaringen met die verloren kinderen.'

In Cries Unheard, dat begin dit jaar in Engeland uitkwam en deze week verschijnt in een Nederlandse vertaling, komt Mary Bell zelf aan het woord. Even nauwgezet als in haar andere werk, dringt Sereny in haar gesprekken met de nu 41-jarige Mary door tot de duistere kern van haar jeugd. De misdaden van het kind, de moord op twee jongetjes die ze nauwelijks kende, krijgen een beklemmende achtergrond van verwaarlozing en seksueel misbruik en onderdrukte agressie. Tegelijkertijd schetst het relaas van Mary's jaren in gevangenschap het beeld van een maatschappij die, alle goede bedoelingen ten spijt, niet in staat blijkt te zijn iemand daadwerkelijk te helpen en voor te bereiden op een normaal leven.

“Mary had met twee reclasseringsambtenaren over haar ervaringen gesproken, maar nooit zo intens als met mij. Daar zijn ze ook niet voor, zulke mensen moeten het de ex-gevangene mogelijk maken verder te leven. Het verleden van de veroordeelde valt buiten hun gezichtsveld. Ze stellen de juiste vragen niet. En die willen ze ook niet echt stellen, omdat ze bang zijn dat ze de antwoorden niet aankunnen.'

Mary Bell, de tienjarige moordenares uit Newcastle upon Tyne, houdt Gitta Sereny al dertig jaar bezig. Haar eerste boek over de zaak is nog altijd in druk. Aarzelde ze niet toen haar gevraagd werd een tweede boek over Mary Bell te schrijven? “Eerlijk gezegd geen moment, maar ik voelde me verplicht Mary Bell alle kans te geven om er onderuit te komen. De hele onderneming was gevaarlijk voor haar, er zou zoveel naar boven komen, maar vooral voor haar dochter, die elf was toen ik Mary ontmoette en die niets van haar verleden wist. Volgens mij kan een klein meisje gemakkelijker met deze gruwelijke dingen omgaan dan een meisje in de puberteit, maar je kunt je voorstellen hoe moeilijk het is om je kind te vertellen over wat je gedaan hebt, ook al is het dertig jaar geleden. Mary wilde zelf absoluut dat het boek geschreven zou worden.

“Ze wilde praten, zocht een katharsis. Mensen zoals zij moeten praten, ze zijn verschrikkelijk alleen. Haar tweede motief was geld, ze had geld nodig om een normaal leven te kunnen leiden, om de bijstand uit te komen, ze wilde zich ergens anoniem en veilig nestelen. En het is haar gelukt. Haar man heeft werk ze hebben een prettig huis, hun dochter gaat naar een goede school. Alleen met Mary gaat het niet goed. Ze wordt verteerd door schuldgevoelens worstelt met de herinnering aan haar moeder.

Natuurlijk moet ze zich ook schuldig voelen, dat maakt het zo moeilijk. Ik kan niet tegen haar zeggen, stap er overheen, want ze mag niet vergeten wat ze gedaan heeft.'

Nog voor het boek uitkwam veroorzaakte het een schandaal. De Engelse pers, eerst de serieuze kranten, toen de rioolpers, spraken er schande van dat een moordenares betaald was voor een boek over haar misdaden. De berichtgeving ontaardde in een heksenjacht op Mary Bell. “Het kwam totaal onverwachts. De officiele instanties hadden hun toestemming voor het boek gegeven. Ik vind het niet meer dan vanzelfsprekend dat ik Mary geld gaf voor haar werk met mij. Ik had een flink voorschot gekregen voor het boek en zonder Mary zou er helemaal geen boek zijn. Natuurlijk moest zij betaald worden! Maar toen The Observer en The Guardian er lucht van kregen, konden die respectabele kranten het niet opbrengen om mij of de uitgever te bellen. Het eerste wat ze deden was de familie van de vermoorde kinderen benaderen en om een reactie vragen. Toen bemoeide Tony Blair zich ermee, en zei dat moordenaars nooit voor hun misdaden betaald mochten krijgen. Hij wist natuurlijk niets van mijn boek, het was gewoon een soundbite. Ik kon het niet geloven. Mijn telefoon werd afgeluisterd ze belden kennissen en familie over de hele wereld om hen uit te horen over mij en Mary Bell. Uiteindelijk vonden ze haar natuurlijk. Zij en haar dochter moesten vluchten voor de fotografen met een laken over hun hoofd. God zij dank zijn er genoeg mensen geweest die het voor me hebben opgenomen.'

Ze zucht. De hele kwestie heeft het boek kwaad gedaan zegt ze. “In Cries Unheard probeer ik een actueel probleem te doorgronden: de toenemende criminaliteit onder jongeren, steeds jongere kinderen die steeds gewelddadiger worden.

We moeten erachter komen hoe dat komt. Ik zie Mary als een symbool voor ons probleem met onze kinderen. Hier in Engeland heerst nog altijd de onuitroeibare notie dat kinderen van nature slecht kunnen zijn, het kwaad in zich dragen. Het kwaad, dat woord zou een tijdje uit de roulatie moeten. Er is iets mis met een maatschappij die het slechte kind tot zondebok maakt en zichzelf als goed beschouwt. Ik zoek de oorzaak niet zozeer bij het slechte gedrag van de ouders of in seksueel misbruik - die zaken zijn er altijd geweest, ze krijgen nu gewoon meer aandacht. Ik zeg niets nieuws als ik beweer dat het familieleven serieus bedreigd wordt, maar niemand weet wat er aan gedaan kan worden. Het is ook niet gemakkelijk. Wanneer je bijvoorbeeld de stabiliteit die de godsdienst met zich meebrengt, hebt opgegeven, kun je die niet meer terugwinnen. Ouders zijn zo gepreoccupeerd door hun eigen levens, hun eigen behoeftes, ze staan zo onder druk, dat ze niet veel tijd meer over hebben voor hun kinderen. Die kinderen zijn veel alleen en daar kunnen ze niet goed tegen. Ik heb niets tegen televisie, maar in gezinnen moeten de ouders direct contact hebben met hun kinderen. Geisoleerde mensen zoeken communicatie op een gewelddadige manier, in groepjes, in een bende. Ze zoeken contact door middel van extreme handelingen. Kinderen zijn tegenwoordig eerder volwassen. Ik schat dat je kinderen van dertien moreel aansprakelijk kunt houden voor hun daden, ook al moet je ze blijven behandelen als kinderen. Ik wil maar zeggen dat ik geen softie ben, ik vind ook dat kinderen vanaf die leeftijd gestraft moeten worden, anders kunnen ze niet begrijpen dat ze iets verkeerd doen. Maar je kunt ze niet straffen zonder ze ook te helpen.

En in Engeland worden kinderen van tien berecht als volwassenen, dat vind ik onvoorstelbaar.'

Hoe praktisch Sereny deze morele kwesties ook het hoofd probeert te bieden, ze moet toegeven dat er geen pasklare antwoorden zijn. “Het is waar, ook mijn boek over Speer eindigt met een groot vraagteken. Uiteindelijk zijn sommige vragen niet te beantwoorden. Aan het einde van mijn gesprekken met Stangl slaagde ik er in deze man twee seconden lang oprecht te laten zeggen: Ik ben schuldig. Nou en? zeiden sommige mensen. Wat doet het er toe? Maar ik vond het belangrijk om een dergelijke man dat over zichzelf te laten zeggen. Niet alleen voor hem, ook voor ons.'