MIDDENSCHOOL

Columnist Leo Prick heeft gelijk wanneer hij zegt dat de discussie over de `middenschool' de onderwijspolitiek in Nederland 20 jaar lang heeft verziekt (W & 0, 3 oktober). De schuld daarvoor moet in de eerste plaats bij de voorstanders van de middenschool-ideologie gelegd worden. Net als tegenwoordig bij het studiehuis-idee beperkten zij zich niet tot een organisatorische maatregel, maar combineerden zij deze met een pedagogisch-didactische wens-uitvoering.

Organisatorisch had men kunnen volstaan met het op zichzelf al gedurfde voorstel om het bestuur van elke school voor voortgezet onderwijs te verplichten deze toegankelijk te laten zijn voor alle leerlingen van het basisonderwijs. Dat is toch het primaire kenmerk van een `middenschool'. De vormgeving van het onderwijs had men vervolgens echter aan elke school zelf moeten overlaten.

Zo zou je in Amsterdam dan enerzijds de middelbare school `Bijlmer' aantreffen, met in een gebouw allerlei leerlingen in dezelfde klas, en anderzijds de middelbare school `Barlaeus' met (in aparte gebouwen) verschillende directies voor gymnasium, voor atheneum, voor Havo, voor Mavo en voor VBO. Dit lijkt een cosmetische operatie, maar is veel meer. In elk geval zou zo de laagste afdeling, het VBO, niet het kind van de (be)rekening worden, zoals nu vaak het geval is. (Wel zou om irreele mammoetscholen te voorkomen de wet een maximum aantal leerlingen per school moeten voorschrijven.)

De middenschool-adepten vertroebelden verder hun idee door allerlei scholen die niet voldeden aan de primaire eis alle leerlingen te kunnen opnemen het predikaat (experimentele) middenschool te verlenen. Onderwijsvernieuwers willen vaak te veel. De staat, ministerie en regering, dient zich te beperken tot organisatorische regelgeving. Het onderwijs zelf late men over aan de duizenden docenten en hun directies daarin gecontroleerd door de onderwijsinspectie.