Metamorfose

Van dromer tot docent, het was geen lange weg. Hij stond er opeens, in het Gelredome: de nieuwe Rijkaard. Gelukkig dat hij nog een paar jaartjes voor zich uit heeft zitten staren, anders hadden we helemaal het overzicht verloren over die flitsen van inburgering.

Opeens praatte hij als Michels, maar dan zachter.

Bereidwilliger om naar de vragen te luisteren, maar even superieur in het antwoord. Soms met de ongenaakbaarheid van het cliche. De grapjes bleven achterwege - Frank Rijkaard nam zichzelf serieus. En dat had niemand meer van hem verwacht.

Jarenlang ademde hij het open haardgevoel. Omdat je nou eenmaal niet plompverloren kunt zeggen hoe de dingen in mekaar zitten versluierde hij de boel. Dat maniertje van Gullit en Van Basten `kijk ons eens goed zijn' had hij helemaal niet. Frank wist dat hij goed was en dus moesten anderen dat ook maar weten. Een tikje geteisterd willen zijn, zat er ook achter.

Hij had alles gehad: glorie, Monaco, het duurste ondergoed. Frank was tijdloos geworden. Zo hij ooit aan de toekomst heeft gedacht dan moet het het in de geest van Cees Nooteboom zijn geweest: de toekomst als een soort nu. Laat maar vallen, die beukennootjes. Meer dan korte vooruitzichten is er toch niet weggelegd. Een autoritje van Milaan naar Como. Of nog: goed tussen de tenen drogen, daar heb je meer aan dan aan de toekomst. De intuitie van de eerste blik, verder reikt het perspectief niet.

Zo was ook zijn humor. Hic et nunc. Geen langdradige grapjes, korte stekelige zinnetjes als contrapunt van de werkelijkheid. Lachen a la carte met wat voorbijkomt, niet met iets dat nog bedacht moet worden. Het gaat, zo wist Rijkaard, om kleine dingetjes. In een elftal, in een huwelijk, in het leven. Als je die op hun kop kunt draaien heb je humor.

De ironie was er nog tijdens het WK in Frankrijk. Rijkaard deed als assistent van Guus niet mee aan de inside-wetenschap. Hem hoefde je niet te vragen waarom Jaap Stam sputterde of wat er mis was met Dennis Bergkamp.

Hij was toen nog niet op de wereld om een mening door te duwen. Hij liep er maar bij als koele waarnemer, niet als dialecticus die de knoet van tegenslag en lot moest doorgronden. Het hoogste is het spel, niet de macht die erachter schuilgaat.

En dan nu, nog geen half jaar later, hoor je Frank Rijkaard zeggen: “We misten penetratie over de flanken. Daar moet nog aan gewerkt worden. Maar het belangrijkste is: de spelersgroep ligt op een lijn.' Het zijn zinnen van Rob Baan. Van Rijkaard hebben we met zijn allen gedacht: zolang het huwelijk nog enigszins draaglijk is zal hij nooit zeggen dat de spelersgroep op een lijn ligt. Edoch.

Opvallend was ook dat de coach van het Nederlands elftal in de wij-vorm sprak: we moeten de motivatie optimaal houden, we moeten de vleugels benutten, we moeten Oscar Moens aan de spanning laten proeven. Ik heb Rijkaard nooit anders gekend dan sprekend namens zichzelf. Beter gezegd: zwijgend namens zichzelf. Bespiegelingen over het collectief liet hij aan anderen over. Spreken namens Talan, Reuser en Van Vossen zou vroeger nooit in hem zijn opgekomen. Nu nam hij het woord als volleerd beheerser van het Oranje-parlando. Het blijft wennen.

Ondanks het futloze spel tegen Ghana is Frank Rijkaard als een verfrissing ingejubeld. Terecht. Het was heel aangenaam om naar hem te kijken en te luisteren. Hij functioneerde prima als vangnet van vergevingsgezindheid en ontferming. Zijn liefde voor Oranje was oprecht. En het is natuurlijk altijd leuk om nog eens een coach bezig te zien die niet de treurigheid van een weggesleten raceband over zich heeft hangen. De aflossing is in Rijkaard fysiek zichtbaar.

Ik maak mij wel een beetje zorgen over zijn assistent Johan Neeskens.

In het regime van Hiddink mocht de Nees voluit mee op de voorgrond treden. Daar genoot hij van. Tijdens en na de twee interlands tegen Peru en Ghana was hij alleen nog een silhouet van zichzelf. Hij juichte mee na het doelpunt van Van Vossen, maar wel drie meter achter Rijkaard. En zo ingetogen dat ik dacht: zou Neeskens zich schamen voor zijn geluk?