Macrobiotisch 3

Onder de kop `Macrobiotisch omgebracht' schuift columnist P. Borst (W & O, 3 oktober) de dood van Flora, de ex-vrouw van Roel van Duijn min of meer in de schoenen van de eigenaar van het Kushi Instituut in Amsterdam, Adelbert N. Borsts column is een reactie op een artikel van Roel van Duijn in Trouw van 5 september.

Borst schrijft: ``Hoewel bij deze dood door schuld de schuldvraag beantwoord lijkt, blijven er toch vragen.' Met die uitspraak gaat hij op bedenkelijke wijze op de stoel van de rechter zitten. Bij Flora wordt kanker geconstateerd. Volgens Borst een voorstadium waar ``alleen een deel van de baarmoederhals hoefde weggesneden te worden. Deze conisatie is een minimale ingreep met een mooi resultaat. Bij meer dan 99 procent van alle patienten wordt kanker voorkomen.'

Dat Flora ervoor kiest zich, ondanks deze gunstige prognose, niet medisch te laten behandelen is iets dat Borst, directeur van een kankerinstituut, zich maar moeilijk kan voorstellen. Zo'n keus dient echter te worden gerespecteerd. Dat Roel van Duijn, de ex-echtgenoot van Flora het moeilijk had (en heeft) met haar keuze, lijkt mij ook nogal voor de hand liggend. Het is altijd tragisch om een dierbaar persoon te verliezen. Van Duijn gedraagt zich als iemand die in een rouwproces is terechtgekomen. Zijn boosheid projecteert hij op het Kushi Instituut in Amsterdam en met name op Adelbert N.

Zelf ben ik de afgelopen maanden nauw betrokken geweest bij het ziekte- en stervensproces van een neef. Na vijf jaar geleden met succes in het Antoni van Leeuwenhoek ziekenhuis te zijn behandeld, kwam de kanker afgelopen mei terug. Bij onderzoek in het ziekenhuis werd hem direct gezegd dat de ziekte niet meer te genezen was. Desondanks werd hij behandeld met chemokuren. Deze kuren hebben ervoor gezorgd dat hij nog bijna zes maanden heeft geleefd. Hoewel ik dat niet altijd gemakkelijk vond, respecteerde ik zijn keuze voor medische behandeling. Want, net zoals Flora volgens Piet Borst ``volstrekt afhankelijk was geraakt van haar macrobiotische exploiteurs', zo was mijn familielid volstrekt afhankelijk geraakt van de artsen in het Antoni van Leeuwenhoek ziekenhuis. Met elke chemokuur die hij onderging, werd de hoop op genezing verder aangewakkerd, terwijl de artsen wisten dat die hoop ongegrond was. Ik zie weinig verschil met het verhaal van Flora.

Vorige week is mijn neef begraven. Naast verdriet bij nabestaanden is er vooral opluchting, omdat deze lijdensweg niet langer heeft hoeven te duren. Ik neem de artsen van het Antoni van Leeuwenhoek ziekenhuis overigens niets kwalijk. Zij hebben gedaan wat in hun vermogen lag.