Levensechte doeken van Lotto

Wie niet valt voor de bekoring van het werk van de Noord-Italiaanse Renaissance-schilder Lorenzo Lotto (omstreeks 1480-1556/7) heeft zijn ogen in zijn zak. De aantrekkingskracht van Lotto's diffuse lichtval, zijn vaak verbluffend heldere, vloeiende kleurgebruik en zijn levensechte stofuitdrukking, is bijna onontkoombaar.

Neem bijvoorbeeld zijn Madonna met kind en de heiligen Catharina en Thomas: de figuren zitten en knielen in een landschap en baden in een eindeloos subtiel spel van licht en schaduw. Het geelgroene brokaat van de jurk van Catharina zou je zo tussen je vingers willen nemen en je hoort het bijna knisperen door de draaiende beweging die de heilige maakt terwijl ze zich richt tot haar metgezel Thomas. Of kijk naar het `soft-focus'-effect in het Portret van Andrea Odoni,een forse, wat norsige heer, gekleed in een kostbare, met bont afgezette, fluwelen mantel en omringd door antiquiteiten uit zijn verzameling. Samen met nog zo'n 45 andere schilderijen van Lotto's hand zijn deze werken vanaf dit weekeinde te zien in een mooie tentoonstelling in het Grand Palais te Parijs.

Ondanks de, althans voor de moderne beschouwer, zo direct aansprekende visuele kwaliteiten van zijn werk, is Lorenzo Lotto lange tijd een controversiele en wat vergeten kunstenaar geweest. Hij is omstreeks 1480 geboren in Venetie en is daarmee een stad- en tijdgenoot van beroemde schilders als Giorgione en Titiaan. Maar anders dan zij heeft Lotto geen glanzende carriere gemaakt in zijn geboortestad. Hij vond zijn opdrachtgevers voornamelijk elders, in de Marche, een streek ten zuiden van Venetie, en het terraferma, het vasteland van de Venetiaanse republiek dat zich destijds in westelijke richting uitstrekte tot aan Bergamo. In die stad en haar omgeving heeft Lotto lange tijd gewoond en furore gemaakt met portretten, fresco's, altaarstukken en mythologische onderwerpen.

Een mooi voorbeeld voor de tegenstrijdigheid in de waardering die Lotto's werk al tijdens zijn leven ten deel viel, is de geschiedenis van het doek met Het mystieke huwelijk van de heilige Catharina dat Lotto in 1523 maakte voor de Bergamask Niccolo Bonghi.

Het werk toont Catharina van Alexandrie knielend voor Maria. Het Christuskind op Maria's schoot schuift Catharina een ring aan de vinger. Dit visioen van Catharina is - ongetwijfeld terwille van de mogelijkheden voor de vrome beschouwer tot identificatie met het voorgestelde - geplaatst in een sober ingericht zestiende-eeuws interieur: Niccolo Bonghi zelf is linksachter geportretteerd, zijn beste stoel heeft hij afgestaan aan Maria. Over de vensterbank achterin het vertrek hangt een minutieus geschilderd Perzisch tapijt. Maar wat er ooit door het raam te zien was, is nu vervangen door een grauw stuk linnen. Een zeventiende-eeuwse beschrijving verklaart de beschadiging: tijdens de bezetting van Bergamo door Franse troepen in 1528 hebben soldaten het landschap uit de achtergrond van het schilderij gesneden en als trofee meegenomen. Blijkbaar vonden zij slechts dat gedeelte van het schilderij werkelijk de moeite waard.

Ook de kunstliteratuur van de renaissance en de barok laat zich over Lotto niet erg positief uit. Steevast wordt hij gepresenteerd als een excentrieke provinciaal die de schaduw van de grote Titiaan nooit heeft weten te ontstijgen, en die al helemaal niet kan worden gerekend tot de `klassieke' fase van renaissance-schilderkunst in het Florence en Rome van begin zestiende eeuw. Inderdaad zijn bij Lotto harmonieuze rust en idealisering, zoals in het werk van Rafael, doorgaans ver te zoeken. Zijn figuren zijn eerder beweeglijk en expressief, en zijn composities zijn voorzien van allerlei details die vaak een ingenieuze symboliek in zich lijken te dragen.

Kunsthistorici hebben zich er vaak toe laten verleiden Lotto's uitzonderlijke positie te verklaren uit zijn eigenzinnige persoonlijkheid.

Documenten over zijn leven roepen een beeld op van een eenzame melancholicus, die rusteloos reisde door Noord-Italie op zoek naar nieuwe uitdagingen, en die flirtte met heterodoxe religieuze denkbeelden, maar zijn levensavond sleet als lekebroeder in het Heilig Huis van Loreto. Ook de Parijse tentoonstelling die eerder te zien was in Bergamo en Washington, lijkt er niet aan te ontkomen Lotto's zieleroerselen in verband te brengen met zijn werk. Maar de wervende titel `un genie inquiet de la Renaissance' wordt in de catalogusteksten gerelativeerd door over het algemeen objectieve beschrijvingen en voorzichtige hypotheses over de interpretatie van Lotto's werk, zonder daarbij de psychologie van de kunstenaar op de voorgrond te plaatsen.

De tentoonstelling en de catalogus geven daardoor ook een eerlijker beeld van het zestiende-eeuwse Noord-Italie buiten de metropolen Venetie en Milaan. Dat gebied blijkt niet zozeer een achtergebleven regio die werd opgeschrikt door een excentrieke kunstenaar. Veeleer was het, met zijn rijkgeschakeerde cultuur, een ideale voedingsbodem voor de ontwikkeling van de persoonlijke stijl van de geniale schilder Lorenzo Lotto.