JUF ENGELS HEEFT HAAR EIGEN STUDIEHUISJE; Schoolvoorbeeld

AF EN TOE kan docente Engels Liesbeth van den Hoogenband zich flink kwaad maken over het onderwijs en vooral ook over de afwachtende houding die haar collega's innemen. Haar woede bereikte een voorlopig hoogtepunt toen bleek dat scholen de Tweede Fase in de hoogste klassen van Havo en VWO niet wilden invoeren omdat de lesmethodes niet op tijd klaar waren.

Daaruit blijkt maar weer, vindt Van den Hoogenband, dat de cultuur van `Juf, ik snap het niet' en `Juf, wat moeten we doen?' niet alleen onder leerlingen heerst, maar evenzeer onder haar collega's. ``Docenten zijn net kinderen, ze wachten af en willen precies weten wat ze moeten doen.'

Van den Hoogenband omschrijft zichzelf als `de juf Engels van de Mavo' en is sinds 1980 verbonden aan de Libanon scholengemeenschap in Rotterdam. Daarvoor gaf ze nog zo'n acht jaar Engels op een huishoudschool en een technische school. ``Ik vind de Mavo een uitdaging, want de kinderen die daar zitten hebben snel het idee dat ze iets niet kunnen. Ik probeer ze zo ver te krijgen dat ze zelf vragen gaan stellen en snappen wat ze aan het doen zijn.'

Zelfontdekkend leren, noemt Van den Hoogenband dat en als je dat goed in de praktijk wilt brengen heb je helemaal geen lesmethode nodig. Sterker nog: dan zijn de meeste lesmethodes een keurslijf waar je nauwelijks mee uit de voeten kunt. ``Als prinses Diana is verongelukt, heb ik geen zin om een lesje over fitness uit het boek te behandelen, omdat het boek per se aan het eind van het jaar uit moet zijn.' Ze verzamelt al vijftien jaar haar eigen lesmateriaal uit kranten en van de televisie, ze ontwikkelde een eigen manier om de grammatica te behandelen. Haar leerlingen zien nooit een boek, ze hebben een grote multomap waarin ze alle kopieen en eigen oefeningen verzamelen. ``Ik wil ophouden om voor ze te denken en we moeten af van de goede-antwoorden-cultuur', zegt Van den Hoogenband, ``ik heb hier al tijden mijn eigen studiehuisje'.

Jarenlang was ze een roepende in de woestijn op haar school. Nu de gedachten van het Studiehuis langzaam beginnen door te sijpelen krijgt ze de wind in de rug. Ze is sinds enige tijd belast met de onderwijskundige ontwikkeling op de Mavo-afdeling van het Libanon. ``Een soort aanzwengelaar van nieuwe ideeen', zo omschrijft ze haar functie. ``We hebben hier een hecht team van zestien docenten. Aan het eind van de middag zitten we in de docentenkamer vaak met een vaste club te praten.

Hebben we een goed idee, dan gaan we er meteen mee aan de slag. We lopen voor op de rest van de school.'

Vanaf de zomervakantie is ze vier weken lang met de derde Mavoklas bezig geweest om ze de beginselen van het zelfstandig werken en zelfstandig nadenken te laten ontdekken. Want, zo vindt Van den Hoogenband, je moet kinderen wel goed trainen. Ze moeten leren hoe ze een tekst kunnen lezen, hoe ze de betekenis van woorden uit de context kunnen halen, hoe ze, als het echt niet anders kan, een woordenboek moeten gebruiken. Maar ook dat je door samen te werken en elkaar vragen te stellen veel van elkaar kunt leren. Er is een systeem van buddy's ontwikkeld waarin twee of drie kinderen verantwoordelijk zijn voor elkaar en ze hebben een studiewijzer waarin het lesprogramma van het hele jaar staat beschreven.

Vandaag staan de tafeltjes voor het eerst in groepjes van vier opgesteld, want het lees-luister-schrijfproject gaat vanaf heden echt van start. Van den Hoogenband heeft de les tot in de puntjes voorbereid. ``Deze manier van werken vereist dat je alles zeer goed regelt, tot aan de gaatjes in de stencils toe. Ook de structuur van de les moet helder zijn, anders wordt het een chaos.' Woordenboeken liggen klaar, evenals voor iedere leerling een tekst uit Winnie the Pooh. Deze tekst is zo geknipt en geplakt dat de leerlingen zoveel mogelijk houvast hebben aan de indeling en de plaatjes. Op het bord staat precies wat ze deze les gaan doen en tot op de minuut hoeveel tijd daarvoor is uitgetrokken.

De juf bespreekt de opdrachten en door vragen aan de leerlingen te stellen controleert ze of ze haar begrijpen. Dat doet ze deels in het Engels en deels in het Nederlands. Tussen neus en lippen door leren de kinderen de betekenis van de woorden prediction, to add en to decide.

Ook het woord `aanzienlijk' gebruikt ze nog even heel nadrukkelijk. Dat is een van de vijf woorden die deze week in alle klassen aan de muur hangen in het kader van het taalbeleid. Elke week is dat een ander rijtje van vijf en het is de bedoeling dat elke docent deze woorden in de context van zijn les aan de orde laat komen. Een van de praktische ideeen die zijn uitgebroed tijdens het naschoolse uurtje in de docentenkamer.

Als de leerlingen samen aan het werk zijn loopt Van den Hoogenband langs de groepjes om te helpen. Antwoorden geven doet ze zo min mogelijk, ze kaatst de vragen terug naar de kinderen. ``Wat denk je als je naar het eerste plaatje kijkt?' zegt ze tegen een meisje, dat wanhopig naar haar tekst zit te staren. Liesbeth van den Hoogenband wijst op een motto dat aan de muur hangt. ``Mensen onthouden: 10 procent door horen, 35 procent door zien, 55 procent door horen en zien, 70 procent door zelf zeggen en 90 procent door zelf zeggen en doen.'

Van den Hoogenband gaat elke dag met veel plezier naar haar werk, maar van het onderwijsklimaat waarin elke vernieuwing voortijdig gesmoord dreigt te worden, krijgt ze wat. ``De werkwijze van het Studiehuis kan een verademing zijn voor de kinderen en het onderwijs als geheel. Ook voor Mavo/VBO-leerlingen die straks in de theoretische stroom van het nieuwe VMBO terechtkomen. Maar zolang docenten zitten te wachten op nieuwe boeken en weigeren met elkaar samen te werken, ben ik bang dat het net zo slecht afloopt als met de basisvorming. Ik beweer dat veel docenten niet weten en niet willen weten wat deze onderwijsvernieuwing precies inhoudt. Al die jaren die vooraf gingen aan het Studiehuis had er geinvesteerd moeten worden in het aanleren van vaardigheden aan docenten.

Hoe ze leerlingen zelfstandig leren werken en zelf leren nadenken. Dat is niet gebeurd. Ze kunnen niet langer hun kennisgieter leegstorten, ze zullen zich moeten gaan verdiepen in hoe je kennis opbouwt.'

Binnenkomen als je eerste les begint en meteen vertrekken als de laatste les voorbij is, vindt Van den Hoogenband helemaal niks. Zelf is ze iedere ochtend om acht uur op school en ze gaat rond half vijf naar huis. De twee uur die ze in de trein zit, gebruikt ze om leuke ideetjes voor haar lessen uit te broeden. Docenten moeten van elkaar weten wat ze doen, vindt Van den Hoogenband. Niet iedereen hoeft opnieuw het bijwoord uit te leggen. Er is veel onrust in klassen omdat sommige leerlingen allang weten wat er verteld wordt. In die tijd kunnen ze nuttiger dingen doen.

Het wordt de hoogste tijd dat docenten hun leerstof en werkwijze op elkaar afstemmen. Maar lang niet iedereen wil dat, is haar ervaring. Ze bespeurt veel verstarring in het onderwijs. ``Ach, laten we lekker koning blijven in onze vijftig minuten', zo parodieert Van den Hoogenband deze houding. ``Laten we gewoon rustig wachten op de nieuwe lesmethodes. En als de Tweede Fase mislukt? Dan kunnen we de uitgevers gelukkig de schuld geven.'