Heel verschillend, toch elkaars concurrenten; Op Crossing Border neemt zangeres Juliette Greco het op tegen Cubanen en Campert

Onzekerheid knaagt aan de toeschouwer van het Crossing Border festival in Den Haag. Zit hij niet net waar het niet leuk is? Juliette Greco zong daardoor voor een matig gevulde zaal.

“Met deze dreun kan het toch niet beginnen,' had een middelbare heer vertwijfeld door de Van Goghzaal in het Haags Congresgebouw geroepen. Maar Juliette Greco, die de vrijdagavond van het Crossing Border-festival had uitgekozen voor het eerste optreden in een Nederlandse tournee, liet zich niet intimideren door de luid doorklinkende bassen uit de belendende zalen. De als vanouds in het zwart geklede chansonniere werd flink begeleid door onder meer haar man (en vroegere pianist van Jacques Brel) Gerard Jouannest, en deed haar publiek al gauw vergeten dat ze slechts een van de vele acts was die op dat moment in het Congresgebouw speelden.

Greco zong Ferre, Jouannest en Brel, acteerde met precieuze handbewegingen de teksten van de liedjes, liet haar verrookte stem kraken en dalen als Marianne Faithfull en rolde haar r'en als Edith Piaf.

Ze had er succes mee, maar bij een klein publiek. De helft van de stoelen bleef leeg, hoewel haar optreden te elfder ure was verplaatst naar een kleinere zaal. Wat haar parten speelde was waarschijnlijk de toeslag die de bezoekers van het jaarlijkse literatuur-en-muziekfestival bovenop hun passepartout voor haar concert moesten betalen. Zoiets druist in tegen het wezen van Crossing Border, dat veel van zijn charme ontleent aan het feit dat je zonder enige dwang van zaal tot zaal kunt circuleren, nu eens luisterend naar een schrijver die voorleest, dan weer naar een overspannen stand-up comedian, en dan weer naar een swingend popbandje.

De concurrentie voor Greco was ook groot. In de Prins Willem Alexanderzaal klonken op hetzelfde moment de Cubaanse ritmes van Omara Portuondo & Chuco Valdes; op het Mondriaanpodium werd het schrijverduo Campert en Mulder gevolgd door de hartverscheurende gitaarliedjes van Jason Molina, die met een iel stemmetje zong dat `the heart is a risky fuel to burn'; en terwijl Greco zich waagde aan `Ne me quitte pas', probeerde in de Statenhal de veelgeprezen drum `n' bassgroep 4 Hero het publiek in beweging te krijgen - overigens tevergeefs, want de met veel extra strijkklanken gecombineerde sax- en keyboard-improvisaties straalden weinig leven uit.

Een concert als dat van 4 Hero zou bij de bezoeker het zogenaamde Crossing Border-syndroom kunnen versterken: het knagende gevoel dat je iets mist door ergens te lang te blijven kijken, of voor een optreden te kiezen dat tegenvalt. Maar goedbeschouwd is ieder plannen zinloos. Juist door ronddwalen stuit je op verrassingen. Zo kreeg Willem Brakman de letterlijk stokoude (want met een spierscheurtje in zijn heup kampende) veelschrijver, tweehonderd mensen stil met een surrealistisch fragment uit zijn voor de Generale Bankprijs genomineerde 43ste roman, Ante Diluvium; terwijl de jonge Amerikaanse debutant Tristan Egolf een tragikomisch fragment uit zijn roman Lord of the Barnyard zo snel voorlas dat het leek alsof hij zonder begeleiding aan het rappen was.

Maar misschien was het hoogtepunt van de avond wel het ingelaste optreden van de Vlaamse Ann Pierle, een jonge zangeres-pianiste die bekendheid geniet door haar samenwerking met de nergens op lijkende groep-met-accordeon Die Anarchistische Abendunterhaltung. Zittend op een skippybal (om het hameren op de elektrische piano te vergemakkelijken) zong en speelde Pierle een tiental afwisselend breekbare en agressieve liedjes die varieerden op het muzikale idioom van Bach, Brel, John Cale en Tori Amos, met wie Pierle de onbarmhartige behandeling van het klavier (in Amos' geval omschreven als `fucking the piano') deelt.

Pierle hield de eer van Belgie hoog; want eerder op de avond werd bekend dat de met veel tamtam aangekondigde Vlaamse dependance van het Crossing Border-festival, dit weekend in Gent wegens gebrek aan belangstelling was afgelast.