Grote mond maar gouden handen

Onlangs begaf ik mij, door winzucht gedreven, in een lager milieu. Dat was nodig omdat de aanrijding mijn schuld was en ik het uitdeuken van mijn auto zelf moest betalen. Bij een erkend schadeherstelbedrijf is dat veel te duur geworden voor een particuliere rijder. Daar zorgt de ijzersterke belangenverstrengeling tussen de verzekeringsbranche, de autoindustrie en de FOCWA wel voor.

De behandeling van de paar butsen op de rechterflank van mijn auto zou volgens het taxatierapport een bedrag vergen waarvoor een plastisch chirurg met plezier een heel hangbuikzwijn strak in het vel helpt.

Ik ging dus op zoek naar een mannetje.

Hij heette Rob en verborg zich achter een mobiel nummer, dat ik via-via had bemachtigd. Na zessen kon er gebeld worden.

Twee uur later stond de aanbevolen plaatwerker voor de deur. Een grote blonde veertiger met een gele baseballpet. Hij droeg geen glimmend trainingspak maar een gewone, blauwe overall. Dat boezemde vertrouwen in. Rob had de auto buiten al bekeken en wat hem betrof kon ie direct mee. Na `een klein weekie of zo' zou hij me bellen en kon ik mijn auto `weer helemaal nieuw' terugkrijgen. Voor slechts vijfhonderd gulden, een fractie van het bedrag dat de garage genoemd had.

Ik gaf hem de autosleutels, sloot de deur en verbaasde mij weer eens over de geheimen van de vrije markt.

Na een week maakte ik de eerste fout. Ik belde het 06-nummer om te horen of de reparatie vorderde. Rob antwoordde kortaf dat hij nog op een onderdeeltje wachtte, en dat hij me binnenkort wel zou bellen. Zeven dagen later beging ik de tweede fout. Ik belde weer, en ik belde, zonder erbij na te denken, in de ochtend. Nu kreeg ik `Tanja' aan de lijn met op de achtergrond een schreeuwend kind. Zij wist nergens van, Rob was weg en ze had verder geen tijd want ze zat te eten. Ik vroeg toen snel, terwijl ik mijn stem verhief om boven het gekrijs uit te komen, of ik Rob misschien die dag op een ander nummer kon bereiken, want ik wilde nu eindelijk mijn auto wel eens terug.

Dat was mijn derde en fatale fout. Tanja hing zonder iets te zeggen op, maar twee minuten later had ik een woedende Rob aan de lijn.

Waar ik mij in jezusnaam mee bemoeide, wilde hij van me weten, en hoe ik het in mijn `kankerhersens' haalde om zijn vrouw en kind lastig te vallen? Hij dacht een afspraak met mij te hebben.

Als ik achter zijn rug om telefoonnummers probeerde los te krijgen door zijn Tanja te bedreigen had ik een levensgroot probleem.

In de onheilspellende stilte die daarop volgde raapte ik razendsnel alle verbale vaardigheden bij elkaar die ik in vijftien jaar sociologie doceren mijzelf heb aangeleerd. Met het verlies van mijn auto voor ogen begon ik, struikelend van het ene excuus naar het andere, aan een waterval van zelfvernedering: sorry mijn fout , allerminst de bedoeling, ongelooflijk stom ook, en zeker, ik had zijn privacy geschonden, helemaal mee eens, en wat reuze naar ook voor mevrouw en de kleine, allebei van streek ! ach, ach, wat kan ik doen om aan al deze misverstanden een einde te maken....?

Het lukte de agressie aan de andere kant van de lijn zakte langzaam tot een beheersbaar niveau en op mijn laatste vraag kwam zowaar een coherent antwoord. Voor vijfhonderd gulden meer was de tegenpartij bereid `die pleurisauto' over twee dagen persoonlijk bij mij af te leveren.

En zo gebeurde. Nadat de tien briefjes van eigenaar waren verwisseld, namen we als goede vrienden afscheid. De auto was, conform de afspraak, weer helemaal als nieuw.

Wat leert ons deze geschiedenis? In ieder geval dat de directeur van het Sociaal Cultureel Planbureau, professor dr. Paul Schnabel, gelijk heeft. De lagere milieus in ons land, en in het bijzonder die waar de plaatwerkerij populair is, zijn de laatste honderd jaar behoorlijk assertief geworden. In een interview met de Volkskrant (24 september) legt hij een verband met de afgenomen machtsverschillen in de samenleving. Nu iedereen bijna gelijk aan elkaar is hoeft niemand zich meer op de kop te laten zitten. De lagere standen, die volgens Schnabel nooit goed geleerd hebben zichzelf te beheersen, doen daar tegenwoordig ook geen moeite meer voor.

“Ze weten dat je voor niemand bang hoeft te zijn, als je maar sterk genoeg bent. We willen altijd de leuke kanten zien van de emancipatie van zulke groepen, maar dit zijn de minder leuke kanten die er ook bijhoren.'

Met deze nuchtere constatering blaast Professor Schnabel het hele beschavingsproces van de onderklasse af. Na ruim een eeuw fanatiek proberen door volksopvoeders van allerlei snit blijkt hun offensief tevergeefs: de lagere milieus zijn nog altijd even ruw in de omgang en door de toegenomen gelijkheid extreem lichtgeraakt als je iets over hun kinderen zegt, als je ze geen voorrang geeft wanneer ze dat wensen te nemen, of, zoals in mijn geval, als je ze op een niet afgesproken tijdstip opbelt. In al die gevallen kun je een hijs krijgen.

De communicatie tussen de geletterden en de ongeletterden verloopt daarom vaak dramatisch.

Gelukkig blijkt uit mijn voorbeeld ook dat die communicatie niet bij voorbaat kansloos hoeft te zijn. Wie op het juiste moment een stapje terugzet, kan vaak erger voorkomen en toch nog met een heel behoorlijke winst het gesprek beeindigen. Duizend gulden voor twee nieuwe portieren, inclusief spuitwerk en een hot-wax behandeling rondom is echt niet veel. Zeker niet gezien de kwaliteit van het geleverde werk. Want hoe ze het doet, doet ze het maar de lagere klasse heeft ondanks haar grote mond, nog steeds gouden handen.