EERSTE KOLONIE VAN TWEEKLEURIGE VLEERMUIS ONTDEKT

Twintig jaar geleden maakte de tweekleurige vleermuis Vespertilio murinus voor het eerst zijn aarzelende opwachting in ons land. Af en toe werd een dwaalgast gesignaleerd, meestal sterk vermagerd en verzwakt. Nu is voor het eerst een complete kolonie ontdekt. Al even opmerkelijk is de vindplaats, namelijk de groene nieuwbouwwijk Maarssenbroek bij Utrecht ingeklemd tussen de snelweg A2, het Amsterdam-Rijnkanaal en het industrieterrein Lage Weide. Dat schrijven Eric Jansen en Bernadette van Noort in Zoogdier (september 1998).

De auteurs deden hun merkwaardige vondst na een telefoontje van een bewoner van een circa 20 jaar oude hoekwoning, die op zolder regelmatig vleermuizen aantrof, bij het verwarmingshok of op de overloop. De diertjes werden gewoonlijk zonder pardon in de tuin gegooid. Aan het tuinhek bleek een mager exemplaar van de tweekleurige vleermuis te hangen en bij de buurvrouw in de struiken lag er nog een. Toen de vleermuiswerkgroep 's avonds in de schemering met batdetectoren kwam posten, zag men de vleermuizen aan alle kanten onder het dak vandaan komen, er werden zeker 25 exemplaren geteld. De diertjes blijken zich op te houden tussen de pannen en het dakbeschot. Tussen de sneldekpannen zitten diverse openingen en kennelijk wringt de tweekleurige vleermuis zich daar doorheen. Als bewoner van rotsspleten heeft hij een uitgesproken platte kop. De woonwijk waarin de kolonie haar intrek had genomen, heeft veel breed water met jonge, opgaande begroeiing en ruige groenstroken langs fiets- en voetpaden en toevoerwegen. De gemeente heeft deze paden royaal voorzien van straatverlichting met oranje en witte spaarlampen, waar 's nachts veel insecten op afkomen, een aantrekkelijk jachtgebied voor vleermuizen. Mogelijk gebruiken ze ook het omringende veenweidengebied als jachtterrein.

Vespertilio murinus (`muize-vleermuis') heeft een bruingrijze rug met zilverwitte haarpunten en een opvallend lichte buik. Het is een vrij grote vleermuis, een snelle vlieger in open ruimte en een typische gebouwenbewoner. Vanaf eind april kruipen de vrouwtjes met tientallen bij elkaar in de zogeheten kraamkolonies. Ze hebben - als enige Europese vleermuizen - niet een, maar twee paar tepels en krijgen meestal twee, maar soms wel drie of vier jongen.

In het najaar voeren de mannetjes baltsvluchten uit, waarbij hun zang met het blote oor te horen is. Hierbij vliegen ze bij voorkeur langs rotswanden of hoge gebouwen, die hun zang weerkaatsen. Ze overwinteren in de rotsen of in grotten. Tussen zomer- en winterverblijf worden soms afstanden van meer dan 1.000 kilometer afgelegd. Mogelijk worden de risico's die deze lange-afstandstrek meebrengt gecompenseerd door de opmerkelijke vruchtbaarheid.

De soort komt voor in het oosten en noordoosten van Europa, met de Rijn en de Rhone als westgrens. Recent schijnt de soort zich in Scandinavie uit te breiden. In 1977 werd voor het eerst een exemplaar in Nederland aangetroffen, en vanaf 1987 werden elk jaar wel een of twee exemplaren gezien, voornamelijk verdwaalde, verzwakte volwassen dieren, die zich ophielden bij grote gebouwen in de kustprovincies. Zo werd in 1993 een vleermuis aangetroffen op de zevende verdieping van het belastingkantoor aan de Wibautstraat in Amsterdam - voor hem kennelijk een soort alternatieve rotswand.