Edith Stein

De beschouwing van Frits Groeneveld over Edith Stein (NRC Handelsblad 12 oktober) bevat twee duidelijke misvattingen.

Hij schrijft dat zij in de allereerste plaats joods was, en voert als bewijs hiervoor aan dat zij haar moeder bleef vergezellen naar de synagoge om deze niet te kwetsen, al was zij zelf atheiste. Dit deed zij echter zoals Groeneveld zelf zegt, om haar moeder niet te kwetsen, en alleen in haar jeugd in Breslau. Toen zij daarna in verscheidene andere plaatsen in Duitsland woonde, bezocht zij nimmer meer de synagoge noch had zij voorzover bekend, contact met de joodse gemeente daar.

Ten tweede schrijft hij dat Edith Stein `een schitterende wetenschappelijke carriere verruilde voor een leven als non'. Zij had, hoewel zij dit zeker verdiend had, in het geheel echter geen schitterende wetenschappelijke carriere. Zij was assistente van haar leermeester Edmund Husserl in Freiburg i.Br. die zij bij zijn publicaties in belangrijke mate hielp. Hij belette echter haar Habilitation, die toegang tot een academische carriere zou hebben gegeven. Daarop werd zij, na in 1922 tot het Katholicisme te zijn overgegaan, lerares aan een Katholieke meisjesschool in Speyer, en in 1932 korte tijd aan een Pedagogisch Instituut in Muenster. Kort daarna trad zij toe tot de Orde der Carmelitessen in Keulen.