De banaliteit van het goede

Wantrouw mensen die oordelen uitspreken zonder verantwoordelijkheid te dragen. Wantrouw degenen die altijd alles beter weten. Wantrouw commentatoren, criticasters en moraalridders. Wantrouw mij zodra ik over gewetenskwesties begin of een gelijkhebberige toon aansla.

Ja, ik ben geschokt door de troosteloze beelden van asielzoekers in de modder bij Ermelo, maar mag ik me daarom een oordeel aanmatigen over het geweten van degenen die zoiets bedenken of over het geweten van VVD-parlementarier Kamp? Hij pleitte in de Tweede Kamer voor `een strenger optreden tegen asielzoekers die hier aankloppen' en voor `wegsturen zonder pardon' van mensen die hij bij voorbaat als bedriegers bestempelde.

Ook al gruw ik daarvan, ik sta tegelijkertijd sprakeloos en met lege handen. Er moet hoe dan ook geschipperd worden en er valt zo moeilijk te schipperen als het publieke debat op hoge toon gevoerd wordt door betweters die niets anders doen dan elkaar de maat nemen om hun eigen goedheid te bevestigen.

De schrijver Martin Walser (1927) kreeg deze week de vredesprijs van de Duitse boekhandel, waarmee voor het eerst in tien jaar een Duitse auteur deze eer ten deel viel. Zijn dankrede afgedrukt in de Frankfurter Allgemeine Zeitung, had de veelzeggende titel De banaliteit van het goede, ongetwijfeld een toespeling op de studie van Hannah Ahrendt naar aanleiding van het proces-Eichmann onder de titel De banaliteit van het kwaad.

Walser bracht een probleem onder woorden dat, vrijwel onvermijdelijk, iedereen vergezelt die publiekelijk morele oordelen uitspreekt - over de regering, de overheid, politici, of over `het volk'. Hoe te vermijden dat je de hoeder of zaakwaarnemer wordt van andermans geweten, vroeg hij zich af.

`Geweten is niet delegeerbaar' zei Walser. Wie zich ergens over uitspreekt, moet voldoen aan een essentiele voorwaarde, namelijk: `wat men tegen iemand anders zegt, moet men ten minste precies zo tegen zichzelf zeggen.' De moeilijkheid is, betoogde hij, `je in gewetenskwesties te mengen en toch de schijn te vermijden dat je beter bent of jezelf beter vindt dan degene die je bekritiseert'.

Ik vat het gemakshalve maar even zo samen: onthoud je van obligate verontwaardiging en probeer niet ter meerdere eer en glorie van jezelf anderen een slecht geweten aan te praten.

Onmiddellijk komt dan de vraag op: mag je uberhaupt nog wel iets inbrengen tegen de opvattingen van Kamp? Of moet je daarvoor eerst zelf een pasklare oplossing voor de opvang van asielzoekers voorhanden hebben? Misschien bestaat er helemaal geen bevredigende oplossing van het probleem. En kun je, de vermaningen van Walser indachtig, ook niets meer zeggen tegen Hiltermann? Die vond het nodig Kamp en de zijnen op te stoken door mensen in nood te kwalificeren als `quasi asielzoekers, in wezen profiteurs' en zelfs als `etnische profiteurs'. Mag je Hiltermann om die reden voor racist of op z'n minst voor xenofoob uitmaken?

Eigenlijk lopen hier twee verschillende vragen door elkaar heen: de eerste is of het formeel geoorloofd is iemand zoiets toe te voegen en de andere of het enige zin heeft om het debat op die manier te voeren.

Over de eerste vraag heeft de Raad voor de Journalistiek zich deze week uitgelaten naar aanleiding van een klacht tegen de uitspraken van Hiltermann. Die klacht verklaarde de Raad ongegrond: `De gewraakte opmerkingen moeten worden beschouwd als zijn persoonlijke mening. Journalisten mogen, als iedereen hun persoonlijke mening uiten en aldus deelnemen aan het publieke debat.' De omstandigheid dat de opmerkingen kwetsend of grievend zijn voor anderen brengt op zichzelf niet mee dat Hiltermann journalistiek over de schreef is gegaan, vervolgt de Raad. `Het publieke debat over onderwerpen als waarop die opmerkingen slaan mag immers robuust zijn.' De Raad voor de Journalistiek zou het mij dus niet euvel duiden als ik op mijn beurt Hiltermann een racist zou noemen, want ook dat hoort bij een `robuust' debat en bij de vrijheid van meningsuiting.

Daar legt de Raad voor de Journalistiek terecht de prioriteit bij. Het primaat van de vrije meningsuiting is in het belang van de hele samenleving, iedereen, hoe je ook over asielzoekers denkt. Michael Scammel, de oprichter van Index on Censorship en biograaf van Soltsjenitsyn bracht dit eens als volgt onder woorden: `We moeten bedenken dat een maatschappij die totaal veilig en rustig is, waarin zich geen controverses voordoen over de vrijheid van meningsuiting, op sterven na dood is.'

Maar daarmee is natuurlijk niet gezegd dat kwetsende en grievende uitingen, ook al zijn ze toelaatbaar, een verrijking van of zelfs maar een bijdrage aan het debat betekenen. Heeft het zin Kamp of Hiltermann uit te schelden voor racist omdat zij zich ongastvrij gedragen jegens vreemdelingen? Nee. Wat lost het op er de joodse vluchtelingen uit Duitsland in de jaren dertig bij te slepen? Niets. Hoogstens hou je er een vals gevoel van morele superioriteit aan over. Daar ging de toepsraak van Martin Walser over.

Hij keerde zich bijvoorbeeld tegen de routinematige manier waarop te pas en te onpas naar Auschwitz als moreel ijkpunt wordt verwezen. Auschwitz leent zich er niet voor tot een soort valkuil, een ritueel argument, een dreigement, een routine van intimidatie te worden. Het resultaat van zulke ritualisering is alleen maar dat er lippendienst aan `het goede' wordt bewezen, zegt Walser. Om dat betoog kracht bij te zetten, haalt hij Hegels definitie van het geweten aan: `...diepste innerlijke eenzaamheid, teruggetrokkenheid in zichzelf...'

Iedereen is met zijn geweten alleen en daar trekt Walser de conclusie uit dat openbare gewetensmanifestaties het gevaar in zich dragen symbolisch te worden.

`En niets is het geweten vreemder dan symboliek, hoe goed die ook gemeend is.'

Dus nogmaals: wantrouw mijn verontwaardiging, hoe goed gemeend ook, over mensen die asielzoekers afschilderen als onwelkome bedriegers (Kamp) of etnische profiteurs (Hiltermann). Laat de heren maar bij zichzelf te rade gaan in hun `diepste innerlijke eenzaamheid'.