Brandblussen op asielzaken; Oud-staatssecretarissen overde hoofdpijnportefeuille

Job Cohen is niet de eerste staatssecretaris van Justitie van wie de geloofwaardigheid wordt aangetast wegens asielzoekers. Een rondgang langs zijn voorgangers. “Je lijkt zo gauw liefdeloos.'

Jan Glastra van Loon, begin jaren zeventig staatssecretaris van Justitie, bekeek 's ochtends zelf het stapeltje asielverzoeken dat ambtenaren soms op zijn bureau hadden klaargelegd. Hij besliste dan meteen wie in Nederland kon blijven en met welke status. Vluchtelingen “druppelden' binnen, zegt hij. Er stroomde nog niks. Glastra van Loon (78), nu Eerste Kamerlid voor D66, herinnert zich een groepje Koerden een paar Latijns-Amerikanen die hij persoonlijk kende, en “wat zielige gevallen die onder geen enkel verdrag vielen maar die je toch niet kon terugsturen.'

Glastra van Loon vond het staatssecretariaat, van 1973 tot 1975, moeilijk: de gevangenissen zaten te vol, de kinderbescherming moest anders worden georganiseerd, zijn ambtenaren werkten niet mee. Maar die problemen vindt hij onvergelijkbaar met de ellende waarin staatssecretaris Cohen nu terecht is gekomen: bijna vijftigduizend asielzoekers en geen andere plek om ze onder te brengen dan lekkende tenten op de Veluwe. Glastra van Loon: “Heb je gezien hoe angstwekkend slecht Cohen er uitzag deze week? Je brandt af op die post. Schmitz kon er niet tegen, Kosto had het moeilijk. Het is alleen maar ellende.'

Minister van Justitie C. Polak vond in 1970 dat hij een staatssecretaris nodig had. Hij was niet in staat zich te bemoeien met alle beleidsterreinen van zijn departement. Hij kreeg er hoofdpijn van wisten zijn ambtenaren. Er kwam een staatssecretaris bij en zijn portefeuille heette de `hoofdpijn-portefeuille': gevangenisbeheer kinderbescherming en vreemdelingenbeleid. Maar vreemdelingen waren er nog nauwelijks. De tweede staatssecretaris op het departement, Johan Grosheide (68) van de ARP, herinnert zich uit zijn tijd - 1971 tot 1973 - maar een echte asielaanvraag: een Amerikaan die uit de marine was gedeserteerd omdat hij niet in Vietnam wilde vechten.

Grosheide: “Een apart geval de eerste vluchteling in Nederland. Ik heb hem nog ontmoet, samen met zijn raadsman.'

Er waren nog een paar Portugese dienstweigeraars die hier hun toevlucht zochten. Verder regelde Grosheide dat ook vrouwelijke gastarbeiders hun gezin konden laten overkomen naar Nederland - tot die tijd hadden alleen mannen dat recht.

Henk Zeevalking (77) had in 1975 even niets anders te doen en liet zich door zijn partij (D66) overhalen om Glastra van Loon op te volgen. Hij zit op de bank van zijn huis in Rijswijk. Het was een “vreselijk ambt', zegt hij. “Wat je moest doen was: mensen achter tralies zetten, kinderen bij hun ouders weghalen en vluchtelingen het land uitzetten.'

Zeevalking, staatssecretaris tot 1977, kreeg te maken met de treinkapingen, hij had beslissingen te nemen over zigeuners, illegale Marokkaanse gastarbeiders, en hij moest zich weren tegen “steeds weer een andere actiegroep'. Drie plakboeken vol heeft hij nog uit die tijd, met krantenknipsels. “Ik zie de spandoeken nog voor me. Zeevalking Ellendeling!'

Zeevalking dacht zegt hij, dat hij een gewone bestuurlijke functie zou krijgen. “Maar het was rennen van incident naar incident, brandblussen.'

Veel asielzoekers waren er nog niet, maar ook Zeevalking lag soms wakker als hij mensen had teruggestuurd: “Je wist nooit helemaal zeker of ze niks zou overkomen.' De enige taak die hij leuk vond, was: notarissen benoemen. “Ik had dan een gesprekje met die mannen. Ze gingen drie keer zoveel verdienen als ik, ze waren altijd vrolijk.'

Pas onder zijn opvolgster, Elbarta Haars (CDA, staatssecretaris van 1977 tot 1981, ze overleed vorig jaar), trokken vreemdelingen meer aandacht.

Illegale Marokkanen doken onder in kerken, er kwamen bootvluchtelingen uit Vietnam christelijke Turken vroegen asiel in Nederland. Haars voerde strengere regels in, onder meer de inkomens-eis. Actievoerders kwamen haar ruiten ingooien. In een interview in Wordt Vervolgd van Amnesty International zei ze: “Je lijkt zo gauw liefdeloos. De afweging tussen enerzijds de mens die een beroep op je doet en anderzijds de rechtsregels en het algemeen belang, geven een ontzettende spanning.'

De volgende staatssecretaris was Michiel Scheltema (59) van D66, nu voorzitter van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Hij zegt: “Het was niet een baan waar ik aan onderdoor ging, daarvoor was ik er te kort.' Scheltema zat op Justitie van 1981 tot 1982. Hij wil niet zielig doen maar hij denkt wel dat de Justitie-staatssecretaris het altijd zwaarder heeft dan andere bewindslieden. “Ik ben heel blij', zegt hij, “dat er in mijn tijd nooit een hongerstakende asielzoeker overleed, of een uitgezette vluchteling in eigen land iets overkwam.'

Het was in de Tweede Kamer makkelijk scoren met diepmenselijke betogen voor een vluchteling. Scheltema herinnert zich een debat in het parlement. Kamerleden vroegen voor een paar gevallen of de staatssecretaris niet wat soepeler kon zijn. Scheltema dacht erover na en besloot ter plekke dat dat wel kon. “Later kwamen die Kamerleden naar me toe en zeiden: het was niet de bedoeling dat je zo snel zou toegeven.'

Parlementariers, zegt oud-staatssecretaris Zeevalking, hadden allemaal hun eigen asielzoeker. “Die belde hen 's nachts op als ze de grens dreigden te worden overgezet en dan kwamen ze bij mij lobbyen, of manipuleren, hoe je het maar wilt noemen.' Ook Scheltema herinnert zich: “Na ieder Kamerdebat kwam ik terug met een paar vluchtelingen in mijn zak.'

Wat het vreemdelingenbeleid volgens Scheltema zo lastig maakt, is de onvoorspelbaarheid ervan.

Van Vietnamese bootvluchtelingen werd gedacht dat ze zich zouden isoleren en problemen veroorzaken: hun cultuur stond te ver af van de Nederlandse. Dat gebeurde niet. Na de val van de Muur in 1989 werd voorspeld dat enorme aantallen Oost-Europeanen naar het westen zouden trekken. Ook dat gebeurde niet.

Tijdens het staatssecretariaat van Virginie Korte-Van Hemel (CDA), van 1982 tot 1989, kwamen er ineens veel meer asielzoekers naar Nederland. Het aantal aanvragen steeg in 1985 van 2.600 naar 5.600. Korte-Van Hemel vond zeven jaar op die plek erg lang. In het pas verschenen boek `Naar Eer en Geweten, de geschiedenis van justitie in vogelvlucht' zei ze dat ze cynisch dreigde te worden: “Ik doorzag na verloop van tijd het misbruik, de slimmigheidjes. Bijvoorbeeld dat stempels en data in het buitenland gemakkelijk te koop waren.' Ze vond de functie “gecompliceerd en emotioneel'. In het boek zegt ze: “De glasbak was mijn redding. Om de zoveel tijd flessen kapot gooien, was mijn therapie.'

Het asielprobleem, vinden de oud-staatssecretarissen, is “onbeheersbaar' geworden. Makkelijk was de functie nooit, maar vanaf midden jaren tachtig is het bijna onmogelijk om nog ongehavend een kabinetsperiode uit te zitten. Glastra van Loon zegt: “Ik begrijp niet waarom Cohen deze rot-job accepteerde.' Zeevalking: “Ze weten niet waar ze aan beginnen.'

Elisabeth Schmitz zei al binnen twee jaar in een interview in Vrij Nederland hoe vreselijk zwaar het werk haar viel. Nu is ze “aan het uitrusten', zegt een woordvoerder van de Partij van de Arbeid.

Aad Kosto was zeventien jaar PvdA-woordvoerder Justitie in de Tweede Kamer voordat hij staatsecretaris werd, in 1989. Zelfs hij had niet verwacht dat de functie zo slopend zou zijn.

In 1991 werd zijn huis opgeblazen door actiegroep RaRa. Dat was een “schanddaad', zegt Kosto (61), in zijn werkkamer bij de Raad van State. Maar niet het ergste dat hij in die jaren meemaakte. Hij vond de totale portefeuille loodzwaar. “Die zat aan alle kanten vast met mensen in de narigheid.'

Het probleem van de vluchtelingen is volgens Kosto onoplosbaar. “Het lijkt erop dat we weer in een tijd van volksverhuizingen leven. Maar als Nederland het welvaartsniveau had van Rusland, waren hier geen asielzoekers.'

Aad Kosto weigerde om in 1994 opnieuw staatssecretaris te worden. “Er zijn heel veel posten in het kabinet', zegt Kosto, “waar je rustig twee a drie termijnen achter elkaar kunt blijven zitten. Maar op deze plek is de psychologische belasting te groot.'