Bomhoff

Eduard Bomhoff doet in zijn column van 10 oktober enkele suggesties om het Internationaal Monetair Fonds (IMF) te hervormen. Helaas bevat zijn analyse een aantal feitelijke onjuistheden waardoor zijn betoog veel van zijn kracht verliest.

Het is onjuist zoals Bomhoff stelt dat belastinggeld in de zak van westerse bankiers terechtkomt en `zoek raakt'. Ten eerste is IMF-geld geen belastinggeld dat uit begrotingsmiddelen moet worden gefinancierd, maar het geld van centrale banken. Ten tweede raakt het geld nooit `zoek'. Elk bedrag dat het IMF leent aan een van zijn lidstaten wordt, met rente terugbetaald. Sterker nog, het IMF heeft sinds zijn oprichting bijna 55 jaar geleden nog nooit een lening afgeschreven.

Ten derde is de mate waarin landen besluiten IMF-geld te gebruiken om schulden aan beleggers af te lossen afhankelijk van de modaliteiten van het aanpassingsprogramma. In Indonesie bijvoorbeeld, was het financieringspakket in eerste instantie hoofdzakelijk bedoeld om de reserves aan te vullen. Inmiddels zijn de voorwaarden van het pakket gewijzigd en mag het IMF-geld ook als begrotingsfinanciering worden gebruikt om onder meer in de voedselvoorziening van de armste delen van de bevolking te kunnen blijven voorzien. In tegenstelling tot hetgeen Bomhoff suggereert is in Indonesie het geld echter niet gebruikt om Westerse bankiers af te betalen.

In Zuid-Korea is IMF-geld wel (gedeeltelijk) gebruikt om vrijvallende schulden van banken af te lossen. Zuid-Korea koos hiervoor met unanieme steun van de 181 andere landen vertegenwoordigd in het IMF omdat de kosten van het alternatief - een moratorium op schuldaflossing - aanzienlijk hoger werden ingeschat.

Bomhoff stelt tevens dat het IMF vaak kredieten verleent tegen een tarief van 0,5 procent per jaar. Hij haalt hiermee echter de concessionele kredieten aan landen als Ethiopie en Rwanda door de war met de normale IMF-kredietverlening. Het door hem beschreven `bijna-gratis geld' betreft echter alleen leningen aan de allerarmsten die minder dan 10 procent van de totale kredietverlening opmaken.

Dit geld is bovendien niet afkomstig van de centrale banken maar van donoren en de beleggingsopbrengsten op goudverkopen die het IMF meer dan 20 jaar geleden heeft verricht.

Tot slot stelt Bomhoff dat het IMF ook moet kunnen helpen wanneer het duidelijk is dat de commerciele banken niet al hun beleggers zullen terugbetalen. Dit is echter al het geval. Sinds 1989 is het al mogelijk voor het IMF om kredieten te verlenen aan landen die een moratorium op hun bankschulden hebben afgekondigd. Sinds kort is dit beleid uitgebreid naar landen met obligatieschulden (die veel moeilijker te herstructureren zijn) en naar landen waar het niet de schuld van de overheid betreft maar van de private sector.