Woorden van een opgejaagd mens

De denkwereld van een geesteszieke weergeven, dat is geen

gemakkelijke opgave voor een schrijver. Wat doet hij met de taal? Afhankelijk van de vraag of de gekte zich in irrationele of rationele vormen openbaart, kan de schrijver zich richten op de vorm of op de inhoud van de taal. Hij kan proberen de taal te vervreemden, door op zoek te gaan naar verwrongen metaforen, en de surrealistische ecriture automatique de vrije loop te laten.

Of hij kan er voor kiezen om de conventionele taalvorm in stand te houden, en de valse helderheid weer te geven van gedachten die op zichzelf niet onjuist of onbegrijpelijk zijn, maar niet goed samenhangen of botsen met de realiteit.

In de roman Hemel en hel van Suzanne Binnemans, over de manisch-depressieve Ewout, is voor de tweede aanpak gekozen. Omdat we de wereld exclusief vanuit Ewouts standpunt bekijken, worden we meegenomen in zijn gekte, die lang normaal lijkt, alleen zijn gemoedsschommelingen zijn heviger. Hijzelf vindt ook niet dat hem iets mankeert: voor een gek die van zichzelf overtuigd is zijn zijn gedachten absoluut niet in tegenspraak met de realiteit; niet hij is gek, maar de rest van de wereld in zoverre die zich tegen hem verzet. Als de ambtenaar in Gogols Dagboek van een gek ontdekt dat hij de koning van Spanje is, verbaast hij zich over de hondse behandeling die hem ten deel valt, en concludeert tenslotte: `Voor hem is geen plaats op deze wereld!'. Ook voor Ewout is geen plaats op deze wereld: `Het is een wervelstorm daarbuiten. Maar dat is buiten, dat gebeurt achter die deur, dat is daar. En ik ben hier. Ik ben het middelpunt van deze kamer.'

Suzanne Binnemans (1961), die eerder bij Vlaamse uitgevers de romans De Woorden van Elisabeth en Trefwoord: Wraak! publiceerde, is het hoofd binnengegaan van de 37-jarige ex-radiojournalist Ewout, en heeft zijn gedachten opgetekend. Hemel en hel, de meest opmerkelijke van de twee korte romans die in het boek Scheidslijnen verenigd zijn, is voor mijn gevoel een overtuigende weergave van de op- en neergaande stemmingen van een manisch-depressieve patient.

Binnemans verwoordt Ewouts gedachten in directe, begrijpelijke taal. Met korte en krachtige zinnen, vaak besloten door een vraag- of uitroepteken, weet de schrijfster de suggestie op te roepen van een monoloog die in gedachten uitgesproken zou kunnen zijn. Het zijn de woorden van een opgejaagd mens, en een niet bijzonder aangenaam mens, vol rancune over zijn gestrande carriere.

Pas later blijken Ewouts gedachtenconstructies, die hem moeten beschermen tegen een onbegrijpelijke wereld, wankele bouwsels te zijn. Hij beschouwt zichzelf als `iemand die in de wieg is gelegd om te heersen', en heeft zijn eigen wetten om de wanorde te beheersen. Door zich aan die wetten vast te klampen denkt hij te kunnen ontsnappen uit de hel, naar de ongelimiteerde vrijheid van de manische euforie. Dan waant hij zich een `supermens', maar in feite is hij een slaaf van zijn denkbeelden. Hij slaat als een gek aan het fotograferen, of koopt plotseling een huis, zonder dat hij er het geld voor heeft: `Het appartement van Lydia mag dan wel luxe betekenen, ik voel me er niet langer vrij.'

De meer dan twintig jaar oudere Lydia onderhoudt hem al vijftien jaar. Zij tolereert zijn gestoorde gedrag, ze noemt het `de charme van de dichter'. Lydia is iemand die alles begrijpt en alles vergeeft. Geen wonder dat hij haar soms als zijn moeder ziet: `Lydia bekoort me. Ze zorgt voor me. Als een kind? Een ziek, lusteloos kind.' Van zijn eigen moeder heeft hij, voorspelbaar genoeg, weinig liefde ontvangen.

Lydia verandert naar gelang zijn stemmingen: ze is een `engel' als hij depressief is, en een secreet als hij manisch is. Als ze het waagt hem zijn gedrag te verwijten, concludeert hij dat zij gek is en naar de dokter moet. Zo zet hij de werkelijkheid naar zijn hand. Hij wil niet tegengesproken worden, want dan slaat hij door; later kan hij zich niet meer herinneren dat hij Lydia mishandeld heeft. Zijn controle over de wanorde is schijnbaar: hij vergeet dingen, stemmen spoken door zijn hoofd. In een zeldzaam lucide moment beseft hij: `De puzzel in mijn hoofd is nooit volledig.

Altijd ontbreken er stukjes.'

Lydia geeft de moed op, en Ewout vindt zijn plaats in de wereld: platgespoten in een kliniek. `Zien jullie niet dat de stemmen mij gek maken. Waar wachten jullie op, verdomme. Ik ken de prik. Ik ken de tijdsspanne tussen prik en rust. Geef hem. Kom op, geef hem...' Het was mooi geweest als het bij dit beklemmende einde was gebleven. Binnemans heeft er echter nog een naschrift aan toegevoegd, waardoor de roman een soort pleidooi voor psychofarmaca wordt: `Onschuldige medicatie maakte van hem weer de Ewout die tot op heden een vooraanstaande plaats in de maatschappij vervult'. Zo maakt de medische wetenschap het drama alsnog onschadelijk.