Voorschriften voor inzet van toezichthouder; Rapport laakt versnippering

Voor het inzetten van toezichthouders op straat en in publieke ruimten moeten landelijke voorschriften komen. Er is vooral door de komst van Melkertbanen een woud van toezichthouders, handhavers en opspoorders ontstaan die moeilijk zijn te sturen en te controleren.

Dit constateert de Stichting Maatschappij, Veiligheid en Politie (SMVP) in het rapport `Toezichthouders in publieke ruimten'. De stichting spreekt van “allerlei warlords met allerlei troepen', een mix van private en publieke toezichthouders waardoor gezag en beheer zijn versnipperd.

Toezichthouders kunnen onder meer politieagenten zijn politiesurveillant, medewerkers van particuliere beveiligingsorganisaties buitengewone opsporingsambtenaren of toezichthouders zonder opsporingsbevoegdheid. De meesten hebben zogenoemde Melkertbanen. Dankzij de in totaal 40.000 banen uit het plan Melkert-1, is het aantal toezichthouders sinds 1994 fors gegroeid.

De gemeenten, niet de politie, zijn voor deze Melkerttoezichthouders verantwoordelijk. Toezichthouders met een Melkertbaan mogen ook niet worden verplicht tot een antecedentenonderzoek, wat bij de politie en particuliere beveiligingsorganisaties wel gebruikelijk is. Hierdoor werkt de politie liever niet met hen samen. Wie de regie en politieke verantwoordelijkheid heeft over het totaal aan toezichthouders is niet duidelijk.

Ook is de vergoeding voor de Melkertbanen van het ministerie onvoldoende om alle kosten te betalen. Hierdoor krijgen betalende particulieren een toenemende invloed op publiekrechtelijk aangestelde toezichthouders. Zij dragen in bijvoorbeeld Rotterdam bij aan de kosten van de gemeente. De SMVP pleit voor “uiterste terughoudendheid' wat betreft deze private bijdragen in de kosten.

Waar toezichthouders zijn, blijkt de criminaliteit zowel te stijgen als te dalen. Toezichthouders die worden aangestuurd door de politie blijken beter te functioneren dan toezichthouders in Melkertbanen aldus het rapport: “Omdat toezichthouders `niks mogen' zien velen hun werk als `gesubsidieerd slenteren'.'