Taal en bevolkingsdichtheid

Toen in Nederland de helft van het aantal inwoners had, werd er ook al gesproken over dreigende overbevolking. Acht miljoen was de limiet; we zaten al even dicht opelkaar als de Japanners op zuidwest Honsjoe, heb ik op school geleerd. Intussen zijn het er bijna zestien miljoen geworden. De Nederlanders van nu voelen dezelfde angsten als die van een halve eeuw geleden. Betekent dit dat het aantal in ons landje opnieuw kan worden verdubbeld? In het jaar 2048 zullen we het weten.

De bevolkingsdichtheid is regelrecht van invloed op de omgangsvormen en dus op de taal. Hoe dichter en hoe langer men in elkaars buurt leeft hoe voorzichtiger men met elkaar moet omspringen en hoe sneller men door elkaar geirriteerd raakt. Het is een schijnbare tegenstelling; want het voorschrift tot voorzichtigheid heeft tot gevolg dat men zichzelf in bedwang moet houden, tenslotte duurzaam een stuk van het Ik inleveren zegt de psycholoog. Tegen die dagelijks herhaalde amputatie komt het Ik vroeg of laat in opstand, vergeet alle voorschriften en put zich uit in de meest direkte beledigingen. De plicht tot voorzichtigheid en de drang tot beledigen zijn twee kanten van dezelfde zaak. De Groningse socioloog professor Bouman had het plan, een sociologie van de volte te schrijven. Jammer dat het er niet van is gekomen. Misschien had ik hem kunnen citeren.

Nu het eigenaardige. Men doet pogingen het gebod tot voorzichtigheid met de drang tot uitgesprokenheid te verenigen; men zoekt en vindt een woord dat iets absoluuts uitdrukt, maar voor men het uitspreekt denkt men in een fractie van een seconde: dit gaat te ver daarmee zou ik mij tegenover mijn gesprekspartner teveel kunnen profileren (let op de voorzichtigheid in deze gedachtengang) en daarom zwak ik het af. En dan zegt degene in kwestie: Ik kan me voorstellen dat dit tamelijk uniek is als hij denkt `nooit van gehoord'. Of, in een soortgelijke gewatteerde context: weinig zinvol, als er klinkklare onzin wordt bedoeld; eigenlijk wel, terwijl hij wil zeggen `als een paal boven water'; liever niet waar `ik walg' wordt gedacht; niet echt leuk, als hij door een ongelukje wordt getroffen; lijkt het beste waar `onontkoombaar' had moeten staan; dit is ongeveer juist, als de spreker er niets van weet en van zijn gesprekspartner hetzelfde vermoedt maar dat niet wil laten merken.

In het verlengde ligt het stopwoord van 1998: zeg maar.

In iedere context is het een poging - bij voorbaat of achteraf - tot deprecisering. Zeg maar is de impliciete uitnodiging om iets beters te vinden dan wat de spreker of schrijver ten beste heeft gegeven. Met zeg maar kun je je nooit een buil vallen.

In de Tweede Kamer wordt al consensus-nederlands gesproken zolang er coalities zijn. Pas de laatste tientallen jaren - twintig, dertig? - heeft dit systeem van afzwakkende toevoegingen de spreektaal bereikt. Het hangt samen met de emancipatie van iedereen, waardoor niemand meer mag worden beledigd. En verwar het niet met twee andere, erop lijkende manoeuvres. Het is niet wat de Britten met een understatement bedoelen. Dat is een vorm van ironie; inmiddels versteende ironie. Het beroemdste voorbeeld is dat van de mevrouw op de Titanic die zegt: I ordered ice but this is ridiculous. Evenmin heeft het iets te doen met de door velen gevoelde verplichting - door Jaap van Heerden magnifiek gesignaleerd en verklaard - om voor iedere openbare daad een verklaring te geven. (Eenvoudigste voorbeeld: men zit in een gezelschap, staat plotseling op en loopt de kamer uit, maar eerst zegt men: ik ga even naar de wc. In de kleine advertenties lezen we: door omstandigheden te koop. Met al die omstandigheden heeft niemand iets te maken, behalve degene die erdoor wordt getroffen).

En dan de andere kant, de uitbarsting in de glasheldere ondubbelzinnigheid. Bij kleine tegenslagen en teleurstellingen roept men ook in de beste families kut! en shit! Het is geen wonder dat beledigen in de mode is. Grappenmakers op de televisie hebben er hun carriere aan te danken. Wie goed kan beledigen staat in hoog aanzien, niet tamelijk of zeg maar.

De omgangsvormen en het woordgebruik hebben hun eigen dialectiek. Na iedere extreme beweging volgt een terugslag. Daarom is het geen wonder dat het Amsterdamse gemeenbestuur het maatschappelijk verkeer weer wil opheffen of terugbrengen, tot het niveau dat H.A.A.R. Knap als het ideale zag. Wie nu een agent de laatste groet van de eeuw brengt - middelvinger van rechterhand opgestoken - krijgt 250 gulden boete. Je zou het eens met een gematigde vorm kunnen proberen, alleen met het eerste vingerkootje, roepen Zeg maar! en afwachten of er jurisprudentie van komt. Naarmate de bevolking verder toeneemt wordt het waarschijnlijker dat de overheid zich dieper in de omgangsvormen zal mengen. Dat is mijn stelling.