Rudolf Hilferding: Das Finanzkapital, 1910

`De aandelenkoersen zijn gestegen (...) de speculatie, die over het geheel genomen, tot nu toe winstgevend is geweest, heeft zich gaandeweg uitgebreid. De speculatiewinsten ontplooien nu hun propagandistische werking.

De deelname van het publiek aan de beursomzet groeit en verschaft de beroepsspeculanten de mogelijkheid hun aktiviteiten over de ruggen van het publiek uit te breiden. (...) Maar de berichten uit de industrie zijn niet meer onverdeeld gunstig, hier en daar treedt stilstand in. (...) Ten slotte moet het punt bereikt worden waar de speculatie in haar streven de prijzen te verhogen, tot stilstand moet komen. Dit wordt verhaast doordat een deel van het krediet dat zij tot nu toe heeft aangesproken haar onthouden wordt. (...) Het gegeven koersniveau was de grondslag voor het aan de speculatie verleende krediet; nu de koersen dalen moet op de verpande of anderszins als kredietwaarborg dienende effecten toegelegd worden, iets wat door vele speculanten en zeker door de meelopers uit het publiek niet opgebracht kan worden. (...) De koersdaling wordt een instorting, de beurscrisis, de paniek doen hun intrede.'

Aldus een passage uit hoofdstuk 18 van Hilferdings Das Finanzkapital: `De kredietverhoudingen in het conjunctuurverloop'. Men zou hieruit de conclusie kunnen trekken dat dit boek uit 1910 onverwacht actueel is, maar dat valt tegen. Wat de lezer hier krijgt voorgezet is voor het overgrote deel een schoolse, en dan nog tamelijk gedateerde cursus financiele economie. Dat Karl Kautsky, toentertijd de paus van de Duitse sociaal-democratie, dit werk prees als een `Deel Vier' van Marx' Das Kapital,spreekt boekdelen over de geest van bureaucratische routine die heerste in de Tweede Internationale.

Wat een verschil met het visionaire Communistisch Manifest, waarmee Marx en Engels in 1848 de radicale handwerkers van die dagen een nog altijd verbazend accurate schets van de door het kapitaal voortgedreven `mondialisering' aanreikten; of met Das Kapital zelf, waarin de kapitalistische maatschappij binnenstebuiten wordt gekeerd en voor eens en altijd van haar magische vanzelfsprekendheid ontdaan. Anno 1910 echter lijkt de tijd dat er `een spook door Europa waarde' voorbij. Met de groei van de arbeidersbeweging is een nieuwe generatie socialisten-leiders op het toneel verschenen voor wie Engels als leermeester optrad. Op hun vragen om verduidelijking van het gedachtegoed van Marx en hemzelf antwoordde Engels met didactische en schematische weergaves, zoals de Anti-Duhring - het marxisme voor partijbonzen verklaard. En al behoorde Hilferding niet tot diegenen die direct met Engels correspondeerden, zoals Kautsky en Bernstein, de geest van verschoolsing heeft hem in zijn hoofdwerk danig te pakken. De behoefte om respectabel te zijn, aan alle eisen te voldoen nu de macht in zicht lijkt te komen, kan niet duidelijker worden verwoord dan waar Hilferding in zijn voorwoord schrijft dat het marxisme `logisch wetenschappelijke objectieve, van waardeoordelen vrije wetenschap is' die slechts door de historische omstandigheden ook nog eens de wetenschap is van de klasse wier overwinning zij voorspelt.

Ja, sterker nog, `van de vertegenwoordigers van die klasse'. Wat bij Marx een revolutionaire kritiek is, die zich (bijvoorbeeld in zijn commentaar op het partijprogram van Gotha) ook tegen de arbeiderspartij kan keren, is bij Hilferding net als bij Kautsky en Bernstein tot de wetenschap van die partij geworden.

Rudolf Hilferding werd geboren in Wenen in 1877 en studeerde daar medicijnen. Hij was enige tijd arts en diende ook als zodanig in de Eerste Wereldoorlog. Maar al tijdens zijn schooltijd kreeg hij belangstelling voor sociale vraagstukken en het marxisme. Artikelen van zijn hand verschenen onder meer in Die Neue Zeit, het theoretische tijdschrift van de SPD dat onder leiding van Kautsky stond. Daarnaast gaf hij met Max Adler de Marx-Studien uit. Das Finanzkapital verscheen als deel 3. In deze reeks kreeg tussen 1904 en 1923 het zogeheten `Austro-marxisme' gestalte, een neokantiaanse, naar het positivisme neigende variant van het marxisme waaruit de aan Hegel ontleende dialektiek was verdwenen. Met deze kritische sociologie wisten de Austro-marxisten (Karl Renner, Otto Bauer en anderen) op vele terreinen vernieuwend werk te verrichten. Net als Renner en Bauer in Oostenrijk, zou de in 1906 naar Berlijn verhuisde Hilferding het tot minister brengen. In de regeringen van Stresemann in 1923 en, vijf jaar later, van Hermann Muller, beheerde hij de gevoelige portefeuille van Financien. Toen Hitler de macht kreeg overgedragen, moest ook Hilferding vluchten. Na de nodige omzwervingen vestigde hij zich in Vichy-Frankrijk. Hij werd echter uitgeleverd aan de Nazi's. In 1941 kwam hij in een cel van de Gestapo in Parijs om, volgens sommigen door eigen hand.

Waaraan dankt Das Finanzkapital dan toch zijn faam? Ik denk aan het slotdeel, `Over de economische politiek van het financierskapitaal', dat met hoofdstuk 21 begint (het hele boek telt 25 hoofdstukken van samen iets meer dan 500 bladzijden).

Hier komt Hilferding als eerste in de marxistische traditie te spreken over het imperialisme: de strijd om buitenlandse markten voor met name de zware industrie, die in chauvinisme en wapenwedloop en ten slotte in de Eerste Wereldoorlog zou eindigen. Deze ontwikkeling maakte een einde aan de vrijhandelsperiode van het midden van de 19de eeuw. Vandaar de titel van hoofdstuk 21: `De omwenteling in de handelspolitiek'.

Onder `financierskapitaal' verstaat Hilferding de belangengemeenschap die is ontstaan tussen banken en grootindustrie, die steeds meer wordt georganiseerd in naamloze vennootschappen waarvan de aandelen op de beurs worden verhandeld. Alleen zo kan de industrie de kapitalen bijeenbrengen om de laatste technische vernieuwingen in te voeren. De hulp van de banken kan zij daarbij echter niet ontberen. Deze weten vervolgens de zo tot stand gekomen NV's onder hun invloed te brengen via krediet participaties en gedeelde benoemingen. Zo komt de macht in de maatschappij te liggen bij een financiersoligarchie die de hele nationale economie in haar greep krijgt, en, naarmate de strijd om buitenlandse markten en beleggingsmogelijkheden toeneemt, deze economie tot een vesting maakt. Binnenslands door haar middels verkoopkantoren en kartels tot een soort planeconomie onder kapitalistische leiding om te bouwen; buitenslands door vanachter veilige tariefmuren markten te veroveren met dumping onder de kostprijs. Het socialisme wordt volgens Hilferding door deze ontwikkeling als het ware panklaar aangeleverd omdat de planeconomie er al is. Alleen de leiding moet nog vervangen worden.

Hilferdings boek werd - samen met het echte pionierswerk ter zake: Imperialism, a Study van de Engelsman J.A.

Hobson uit 1902 - de belangrijkste bron voor Lenins pamflet Het imperialisme als hoogste stadium van het kapitalisme uit 1917. Ook Hobson zag de financiers als drijvende kracht achter het imperialisme, maar dan in de (Britse) betekenis van buitenlandse beleggers en avonturiers van het type Cecil Rhodes, die zich aan de belangen van de eigen industrie niets gelegen laten liggen. Hilferding daarentegen lijkt zich meer te baseren op de Duitse situatie, waarin de banken de organisator zijn van sterke industriele combinaties, die daarnaast staatssteun genieten.

In de huidige crisis zien we dit misschien terug in de confrontatie tussen het IMF, dat het perspectief van het vrije geldkapitaal van de City en Wall Street als richtsnoer lijkt te hebben, en het `financierskapitaal' van bijvoorbeeld Japan en Korea, dat opgeroepen wordt zich te `hervormen' naar westers model. In die beperkte zin heeft Das Finanzkapital van Hilferding zijn actualiteit zeker behouden.