Preken als waagstuk; Ds. Buskes (1899-1980)

De beste zondagse preken hoor je van predikanten die zelf vechten met de bijbelse boodschap, die bij tijd en wijle twijfelen aan de woorden die ze spreken, maar zich in alle onzekerheid toch blijven vastklampen aan God. Bij de Amsterdamse predikant ds. J.J. Buskes (1899-1980) was altijd iets van dat gevecht met Gods woord te horen. Op het bureau waaraan hij zijn preken maakte, stond een tegeltje met een woord dat alles voor hem betekende: `nochtans'. Daar hield hij zich aan vast.

Buskes was een echte preektijger. Voor hem fietste je op zondagmorgen graag half Amsterdam door. Wie naar zijn preken luisterde, schoof ongemerkt naar het puntje van de kerkbank. Hij sprak geen zorgvuldig gepolijste zinnen, maar een rotsblokkige taal die tastte naar de kern van het evangelie en naar het hart van het menselijk bestaan. Zijn markante stem deed de rest. Hij preekte niet omdat hij ingeroosterd was voor hem was de zondagse kerkdienst een existentiele gebeurtenis en dat wist hij over te brengen op zijn gehoor. Preken was een waagstuk. In een vraaggesprek in 1977 met het weekblad De Tijd zei hij: `Ik heb altijd angstdromen gehad. Als ik de kerk binnen wil houdt een onzichtbare deur mij tegen; of ik kan voor een volle kerk de kansel niet opkomen, of ik schiet door en beland bovenop de schelp boven de kansel, waar ik dan voor gek zit. Wat dat voor angst is? De vrees misschien met mijn woorden het Woord van God in de weg te staan, met woorden God de dood aan te doen. Dat doen we in de kerk zoveel.'

Buskes gold als een linkse dominee. Een rooie dominee, zeiden zijn tegenstanders. Voor de oorlog was hij antimilitarist en vooraanstaand lid van de organisatie Kerk en Vrede. Hij werd lid van de SDAP en later de PvdA, hij kwam op voor de rechten van de arbeiders, stond gereserveerd tegenover het koningshuis, keerde zich tegen de koloniale politiek in Indonesie, was een actief bestrijder van de apartheidspolitiek in Zuid-Afrika, een bewonderaar van bisschop Helder Camara en ds. Martin Luther King kortom een houding die nogal afweek van het doorsnee opvattingenpatroon op het erf van het Nederlandse protestantisme.

Kermisganger

Het spannende van Buskes was dat hij zijn politieke orthopraxie beleefde vanuit een principiele orthodoxie.

In de praktijk mocht hij dan vaak met vrijzinnigen optrekken, van de vrijzinnigheid zelf moest hij niets hebben. Hij geloofde in Jezus Christus, gestorven en opgestaan. Dat was voor hem het hart van de belijdenis van de kerk, dat kwam in elke preek terug en in dat opzicht is hij ook altijd voluit gereformeerd gebleven. Toen de hervormde hoogleraar dr. P. Smits aan het eind van de jaren vijftig met zoveel woorden ontkende dat Jezus was gestorven voor de zonden van de mens (`Geef mijn portie maar aan Fikkie') noemde Buskes dat `een wijze van theologie bedrijven van een kermisganger in een schiettent'. Met een vaag begrip als `religie' kon Buskes al evenmin overweg: het was `geloof' of het was niks.

De verbinding tussen christen en socialist was bij Buskes een bijzondere. Hij wilde zich namelijk geen christen-socialist laten noemen. Zijn keus voor het socialisme was instrumenteel. Ze werd ingegeven door zijn opvatting dat het socialisme uitzicht gaf op een `voorlopige uiterlijke en betrekkelijke sociale en politieke rechtsorde'. De mens schrijft wereldgeschiedenis, maar het koninkrijk Gods kan hij niet stichten. Toch raakten Woord en wereld in zijn preken nooit van elkaar los. `Het is een rotstreek om een dronken vent te interviewen', merkte hij in de Amsterdamse Thomaskerk op na een geruchtmakend interview in Vrij Nederland met de toenmalige minister van Defensie Henk Vredeling. Maar ook zo'n opmerking paste in de uitleg van het bijbelgedeelte waarover hij preekte.

Buskes was in alle opzichten een non-conformist. Hij liep geen platgetreden paden. De onlangs verschenen biografie Buskes, dominee van het volk van de socioloog dr. E.D.J de Jongh laat zien hoe die houding al in een vroeg stadium tot conflicten leidde.

In 1926 kwam het tot een breuk met de Gereformeerde Kerken, waarin hij geboren en getogen was nadat de synode een kerkelijk vonnis had geveld over de Amsterdamse predikant dr. Geelkerken, die vraagtekens zette bij `de zintuiglijk waarneembare werkelijkheid' van het paradijs en bij het spreken van de slang die Eva verleidde. Buskes, die na een studie theologie aan de Vrije Universiteit inmiddels predikant op Texel was geworden, werd gevraagd met de synodale uitspraak in te stemmen, maar dat weigerde hij. Het conflict leidde tot het ontstaan van de Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband (HV), die uiteindelijk 26 gemeentes omvatten met zo'n achtduizend leden.

Buskes werd weldra predikant in het Hersteld Verband van Amsterdam-Zuid. In de hoofdstad werd hij geconfronteerd met de schrijnende armoede die het gevolg was van Colijns bezuinigingspolitiek. Zo werd de basis gelegd voor zijn gevoel voor sociale rechtvaardigheid. De mensen hebben niet de kerk verlaten, de kerk heeft de mensen in de steek gelaten en daarom moest het evangelie de straat op, vond Buskes. In die periode ontwikkelden zich ook de contacten met de theologen Banning en Miskotte de dichter Fedde Schurer en de journalist H.M. van Randwijk, die zijn leven mede bepaald hebben.

Socialisme

Buskes nam ook afstand van het antithese-denken van de Antirevolutionaire Partij en hij sloot zich aan bij de in 1926 opgerichte Christelijk-Democratische Unie (CDU) die voortkwam uit het gedachtegoed van de Bond voor Christen-Socialisten. Deze partij keerde zich tegen de koers van de ARP wat betreft het sociale vraagstuk, de kwestie van oorlog en vrede en het koloniale vraagstuk. Later raakte de CDU in Duits vaarwater en bekeerde Buskes zich tot de SDAP, die na de oorlog opging in de Partij van de Arbeid.

Maar ook daar bleef hij non-conformist. Niet alleen zag hij niets in het socialisme als levensbeschouwing, hij hekelde ook de politieke lijn van de partij als die hem niet beviel, onder meer op het terrein van de dekolonisatie en het vraagstuk van de kernwapens.

In 1943 maakte Buskes, die in 1938 een beroep naar Rotterdam had aangenomen, de overstap van het Hersteld Verband naar de Hervormde Kerk, toen deze hem vroeg het evangelisatiewerk onder buitenkerkelijke arbeiders in Amsterdam op te zetten. Dat was werk dat hem bijzonder aantrok. Hij nam daarmee wel een voorschot op de fusiebesprekingen die tussen het Hersteld Verband en de Hervormde Kerk aan de gang waren, wat hem niet door iedereen in dank werd afgenomen. Maar ook tegenover de Hervormde Kerk bleef hij dezelfde kritische houding aan de dag leggen. Van de kerk als instituut had hij geen hoge pet op en dat liet hij menigmaal blijken. Synodes vond hij geen kerk. De kerk, dat was de plaatselijke gemeente: een zeer gereformeerd standpunt. Synodes moesten zich ook maar niet te vaak met boodschappen tot de gemeentes richten, vond hij. Het kerkverband had voor hem het karakter van een noodwoning, schrijft De Jongh.

De Jongh wijst erop dat Buskes geen groot theoloog was. Hij maakte geen school. Maar hij had wel het vermogen om, zowel in zijn preken als in zijn tientallen boeken en honderden artikelen, het gedachtegoed van anderen zodanig te verwoorden dat de gemeente er wat aan had. Een van zijn belangrijke inspirators was de Duitse theoloog Karl Barth, die net als Buskes al in een vroeg stadium de demonische invloed van het nazisme onderkende. Barth doorbrak reeds in de jaren twintig met zijn theologie de nationalistische burgerlijkheid van het christelijke Duitsland.

Voor Barth was God de `gans Andere' en niet de bevestiging van de menselijke zelfgenoegzaamheid. Dat is ook steeds de lijn van Buskes gebleven. Zonder Barth was hij geen dominee geworden, zei Buskes in een vraaggesprek met de IKON.

De Jongh toont bij alle bewondering die uit de biografie spreekt, ook oog te hebben voor de zwakke kanten van Buskes. Zo laat hij zien dat Buskes confrontaties niet uit de weg ging en daarbij zijn tegenstanders wel eens onnodig hard op de tenen ging staan. Buskes bleef iets van een Utrechtse straatjongen houden. Maar als dat nodig was, excuseerde hij zich ruimhartig en publiekelijk. Zijn kracht lag in het spreken en veel minder in het luisteren. IJdelheid was hem, zoals zoveel dominees, niet vreemd. De summiere opmerkingen die De Jongh maakt over Buskes' eerste huwelijk (`het ging niet goed, het ging niet slecht, het ging') geven ook een indicatie van de beperkingen waaraan hij leed.

Historische details

Er is een vaardige pen voor nodig om iemand die zoveel heeft gedaan zoveel heeft gezegd en zoveel heeft gesproken goed neer te zetten en helemaal tot zijn recht te laten komen. Soms verliest deze biografie zich zozeer in historische details dat de grote lijn van Buskes leven die in het eerste hoofdstuk duidelijk wordt neergezet, door de veelheid aan overigens zorgvuldig gedocumenteerde feiten en feitjes achter de horizon dreigt te verdwijnen. Daardoor is de biografie ook veel minder meeslepend geworden dan de hoofdpersoon zelf was.

Wie Buskes heeft beleefd, zal het boek desondanks niet ongelezen willen laten.