O, hoe zoet is basterdsuiker; Herinneringen aan Jopie Breemer

Na 85 jaar is `De Ontboezemingsbundel van Jopie Breemer' herdrukt. Deze dichter en levenskunstenaar kreeg omstreeks 1910 de fine fleur van de Amsterdamse kunstwereld over de vloer.

Wie bevriend was met Jopie Breemer had vrije toegang tot zijn huis. Als de melkproever en -slijter thuis was, stak er een bezem uit het raam. Als hij even weg was, lag de sleutel op bereikbare hoogte: in de dakgoot. Op de toegangsdeur van de eenkamerwoning in een zijsteegje van de Kerkstraat in Amsterdam stond de mysterieuze spreuk AM2-2. Een gammele divan domineerde het met eenvoudige meubels volgestouwde vertrek dat slechts een raampje telde. In een hoek stond een oud spinet en aan de muren hingen twee reproducties naar Vermeer, een ingelijst portret van de gastheer, en een aantal bordjes met leuzen als `Eet alleen plantaardig voedsel' en `Toe vader, drink niet meer'.

Deze schamele behuizing het Jopiehol genoemd, werd vanaf 1906 een vaste ontmoetingsplaats voor een groot gezelschap jonge kunstenaars en intellectuelen. Iedere woensdag- en vrijdagavond hield Jopie soir en ook op andere dagen ontving de melkslijter vanaf een uur of drie, als hij klaar was met zijn ronde, zijn vrienden. Een grote groep, telkens wisselende gasten met een kleine vaste kern bezocht de `Ontboezemingsavonden' in het Jopiehol. Iedereen die aan kunst deed of zich voor kunst interesseerde, was welkom. “Wie kent Jopie niet?', beweerde de schrijver en journalist Johan Schmidt later. “Wie maar eens in zijn leven op het doornige pad van de kunst te Amsterdam zijn voet heeft gezet, kende de goedhartige Jopie Breemer.'

In het Jopiehol kwamen veel schrijvers en journalisten (Emmy van Lokhorst, J.K. Rensburg, Arthur van Schendel, Mary Dorna), schilders en beeldhouwers (Jacob Bendien, Han van Meegeren, Hildo Krop), acteurs (Coen Hissink Gerard Arbous), architecten (alle vooraanstaande Amsterdamse School-architecten: Michel de Klerk, Piet Kramer, Jo van der Mey) en studenten.

De Jopianen waren vol idealistische denkbeelden. Ze hadden voor het merendeel hun bestemming nog niet gevonden en werden pas later, zoals een van hen het ironisch uitdrukte, steunpilaren van beurs en burgerwacht.

Jopie Breemer (1875-1957) was klein van postuur en mager. Hij had een hoog voorhoofd en een volle baard. Mary Dorna vond hem `een bleke Christuskop' hebben. Meestal droeg Jopie een jasje dat afgedankt moest worden en een overjas waarvan de voering aan lappen hing. Het deerde hem niet. Tegen een vriendin merkte hij over zijn oude kleren op: “Mooi of niet, aandoen moet je het toch en alles vraagt tijd.'

Op de Ontboezemingsavonden zat de gastheer achter een teiltje waarin hij onvermoeibaar de kopjes afwaste. Jopie schonk zijn gasten thee sterk voor wie vroeg kwamen, slapper naarmate het aantal personen toenam. Bij de thee kregen de bezoekers, in ruil voor een bijdrage in het offerbusje, koekjes en een bak met apenootjes.

Het was er altijd druk. In De Ontboezemingsbundel van Jopie Breemer staan twee foto's van het Jopiehol. Onder de foto waarop Jopie alleen in zijn kamer zit, luidt het onderschrift: `Zo is het hier nou nooit.' Daaronder staat een foto van een groot gezelschap: `Zo is het hier nou altijd.'

Droom

In het Jopiehol werd gepraat, gediscussieerd en een beetje geroddeld. J.K. Rensburg sprak er de kunstmatige wereldtaal Volapuk. De arts Johan Starcke, die samen met zijn broer de theorieen van Freud in Nederland bekendheid gaf, analyseerde een krankzinnige droom die de architect Piet Kramer uit zijn duim zoog. Of iemand zong liederen van Bach of Schumann. Of Piet Endt, Dirk Witte en Tom Schilperoort zongen een Nederlands chanson. Of men las brieven voor van kinderen of van oud-Jopianen die door het leven naar elders waren geroepen.

Maar de spil van het Jopiehol, de allen verbindende figuur, was toch de gastheer zelf. Jopie was de regisseur; als de debatten te hoog opliepen, maakte hij er met een mild-spottende opmerking een eind aan. Veel bezoekers waren dwepers en drijvers, vervuld van idealen. In het hol kwamen vegetariers, aanhangers van de Rein leven-beweging en volgelingen van Frederik van Eeden, die in het Gooi zijn tuinbouwcommune Walden had opgericht. In het Jopiehol werden echter geen pamfletten opgesteld of betogingen voorbereid, in het Jopiehol stond het plezier voorop. De bevlogen socialistische dichter C.S. Adama van Scheltema moest niks hebben van de vrijblijvende onmaatschappelijkheid van de Jopianen en noemde hen smalend `veelpraters en weinigdoeners'.

Behalve regisseur was Jopie ook de grote animator. Als het in het Jopiehol eens stilviel, deden de bezoekers nooit vergeefs een beroep op hun gastheer. “Jopie doe es wat', klonk het dan. En dan vertoonde Jopie zijn kunsten. Meesterlijk imiteerde hij een van de bezoekers. Of hij droeg, met ernstige mimiek en een belerende vinger in de hoogte, zijn nieuwste onzinrijm voor. Over Jan Plank, de meneer die zijn levensgeluk wilde verwoesten. Of hij vertelde het verhaal van Karel Kuitbeen, de man die de neus van zijn buurvrouw wilde. Of hij gaf een opsomming van de dagelijkse bezigheden van J. Prikbaas, rentenier:

's morgens: 8 uur opstaan.

8-8 mal rondkijken.

8-9 avondwandeling doen.

9-11 ontbijten.

11-12 pulken.

's middags:

12-3 eten (alleen voor 3 ophouden als de knal eerder komt).

3-4 pulken.

4-5 radeloos zijn.

5-7 vlug dineren.

7-8 voor mirakel liggen.

8-9 pulken.

9-10 gapen.

10 uur naar bed gaan.

Bakje pinda's

Jopie Breemer kon tekenen, dichten, acteren vioolspelen en hij verstond de kunst om mensen voor zich in te nemen. Toen een inspecteur van politie het hol eens binnenviel om te kijken of het er wel ordentelijk aan toeging, zat de man al gauw ook achter een kopje thee en een bakje pinda's. Volgens de romanschrijfster Ellen Forest was Jopie een man van veel talent, maar zonder eerzucht. “Hij verlangde niets, dan maar stilletjes te leven met net genoeg om niet dood te gaan en dan veel vrije tijd te hebben om zijn vrienden te ontvangen.'

Behalve aan ambitie ontbrak het hem ook aan geluk. Zijn moeder overleed toen hij vijftien jaar oud was. Zijn vader, een ongediplomeerd arts, stierf toen Jopie tweedejaarsstudent was aan de Rijksacademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam. Dat betekende het einde van zijn schilderscarriere. Omdat hij als wees geen financiele basis meer had adviseerde de directeur van de academie koningin-regentes Emma, aan wie Jopie subsidieverzoeken richtte, niet langer zijn leergeld te betalen. Hij verliet daarop de academie en besloot dichter te worden. Vermoedelijk uit die tijd dateert een reeks weinig geslaagde sonnetten in de impressionistische stijl van de Tachtigers.

Om aan de kost te komen werd Jopie in 1898 beroepsmilitair. Hij stond dezelfde maand al op wacht bij de inhuldiging van koningin Wilhelmina. Een grootse militaire carriere maakte hij niet; in 1903 zwaaide hij af als sergeant. Hij ging reizen en nam in Berlijn en Parijs met smaak deel aan het boheme-leven. Terug in Amsterdam ontwikkelde hij zich in de jaren van het Jopiehol tot de poezie-anarchist, wiens kleine oeuvre slechts bij toeval bewaard is gebleven.

Toen hij in 1912 trouwde met een van zijn bezoeksters en naar Den Haag verhuisde, verstuurden de `verslaafde Jopianen' Piet Endt en Johan Starcke de dag na Jopie's verhuizing een intekenlijst naar `vijf- a zeshonderd' lotgenoten.

Om tenminste nog `Jopie's geest te kunnen oproepen in eigen huis en eigen haard' beloofden de initiatiefnemers in het rondschrijven het letterkundig werk van hun oude gastheer te verzamelen en te ordenen. Een jaar later verscheen De Ontboezemingsbundel van Jopie Breemer, een 128 pagina's tellend boekje dat nooit in de handel is verschenen. Op het paarse omslag staat een Chinese theepot, 56 kommetjes en de raadselspreuk die ook op de deur van het Jopiehol stond. Als een nieuwe bezoeker vroeg wat dat AM2-2 toch betekende, kreeg hij te horen: `Alles mag hier in het kwadraat behalve twee dingen.' En als gevraagd werd wat die twee verboden dingen waren kreeg de nieuweling te verstaan: `Dat vertellen we je wel als je ze doet.'

Behalve verhalen en gedichten staan in de Ontboezemingsbundel ook aforismen en stellingen (`Het gebrandmerkt voorhoofd is zonder pet') brieven (`Waarde heer! Tot mijn spijt moet ik berichten dat mijn vrouw u morgen zal komen bezoeken. Hoogachtend'), tekeningen, koddige verjaardags- en bruiloftsverzen (`Het huwelijk is een touw/ Waarmede wordt gebonden/ Een man aan ene vrouw') en een aantal foto's van de auteur. Voor een tijd waarin de ijzeren Willem Kloos en Albert Verwey het op dichterlijk terrein voor het zeggen hadden, doet de eenvoud en dwarsheid van het werk van Jopie verfrissend aan. Hij steekt de draak met alle poeziewetten en laat `etenshap' rijmen op `wetenschap'. Met enige goede wil kan gezegd worden dat zijn waanzinpoemen en nonsensverhalen vooruitlopen op Dada en het surrealisme.

In ieder geval is hij de auteur van een aantal onsterflijke dichtregels als `O, hoe zoet is basterdsuiker'. En gedichten als De reiziger en Het gapen zijn door zijn `ontdekker' Gerrit Komrij in 1979 terecht opgenomen in diens bijbel van de Nederlandse poezie.

Het gapen

De grote beer in 't luchtruim

De late maneschijn

Een juffrouw met een breikous

Een transparant gordijn

Een lang vervlogen reek'ning

Een durend carillon

Een stukgetrapte otter

Een kop gebruikt bouillon

Die geven al te samen

Den tandelozen mond

Een hardverscheurend knagen.

De Rijn stroomt teugloos rond.

Badseizoen

Na Jopie's vertrek uit Amsterdam nam Piet Endt het hol over. Samen met een een achterneef ontving hij op vrijdagavonden de oude vrienden. Maar de soir van `Dikke Piet' was geen succes. En toen Endt in 1914 naar Zwitserland verhuisde, werd het Jopiehol voor altijd gesloten. Veel Jopianen zochten daarna hun heil in het boheme-cafe De Uilenkelder van de schilder/schrijver (en melkhater) Erich Wichman.

Na zijn trouwen werkte Jopie jarenlang als portier in Den Haag en Scheveningen. In het badseizoen verdiende hij het geld waardoor hij in de wintermaanden door Europa kon trekken. Hij reisde met zijn vrouw en ook wel met zijn vriend de schilder Han van Meegeren, voor wie hij dikwijls heeft geposeerd. Zijn eerste vrouw overleed. Met zijn tweede vrouw, de Oostenrijkse danseres Maria Ertel, begon hij in de jaren twintig een dansschool in Den Haag. Met kerstmis 1926 kregen zij een zoon. Jopie tekende een geboortekaartje waarop stond: `Jozef en Maria kregen op kerstavond een zoon. Natuurlijk noemden zij hem', en dan op de ommezijde: `Erik'.

In de jaren dertig stond Jopie regelmatig op de planken met het toneelgezelschap van zijn oude vriend Gerard Arbous. Gedurende de oorlog bleef Jopie binnen. Slechts door intensieve bemoeienis van zijn vrouw bleef de zeventigjarige gevrijwaard van deportatie. Toen hij aan het eind van de oorlog toch nog uit zijn schuilplaats werd weggehaald heeft meestervervalser Han van Meegeren hem weer vrijgekregen, doordat hij bij de Ortskommandant een graag geziene gast was. Jopie liet Van Meegeren later niet in de steek toen deze werd opgepakt op verdenking van collaboratie. Vanwege zijn Vermeer-vervalsingen werd Van Meegeren uiteindelijk veroordeeld wegens bedrog. Vlak voor Van Meegerens dood poseerde Jopie in 1946 nog voor diens schilderij `Biddende jood', dat op de omslag van van de herdruk van de Ontboezemingsbundel staat.

Familieleden herinneren zich de bejaarde Jopie. Op zijn tapdansschoenen schuifelde hij door de straten van Den Haag, het hoofd als vanouds een weinig scheef gedragen. Bij de radio maakte hij tekeningen op enveloppen en hoekjes krantenpapier. Van het weerbericht maakte hij om onopgehelderde redenen stenografische verslagen. In 1957 overleed Jopie, eenentachtig jaar oud. Een ieder die hem heeft gekend, noemde hem een sympathiek mens.