Nederland moet voorlopig eigen asielbeleid opstellen

Zolang de EU-lidstaten niet met een gemeenschappelijke oplossing komen voor de opvang van vluchtelingen, moet Nederland niet aarzelen om een eigen asielbeleid te ontwikkelen, meent Jan Kees Wiebenga.

Het taboe verklaren of ontlopen van een discussie over het huidige dilemma is ongewenst.

Hoe komt het dat Nederland zoveel asielaanvragen krijgt? Zijn wij zo anders dan onze buurlanden? En zo ja, waarom kunnen wij dan onze problemen niet in overleg met de andere lidstaten van de Europese Unie oplossen? Een ding staat vast: zolang een gezamenlijke aanpak in EU-verband niet tot stand komt, zullen wij zelf maatregelen moeten nemen.

Vanaf 1997 is het aantal asielaanvragen in de Europese Unie als geheel aan het stijgen. Dat geldt voor alle lidstaten behalve Duitsland. Het Nederlandse aandeel in de totale Europese instroom is bovendien ook gestegen en wel tot 14 procent. In dat licht bezien is de benedenwaartse bijstelling van de Nederlandse prognoses in het afgelopen voorjaar niet goed te plaatsen.

Binnen de EU was de stijging in Nederland het hoogst. Het aantal asielaanvragen is onevenwichtig verdeeld over de EU. Zo is Duitsland koploper in absolute, maar Nederland in relatieve zin. Waar komt deze onevenwichtigheid vandaan? Zij is te verklaren door het bestaan van verschillen in beleid tussen de lidstaten. Dat die verschillen nog steeds bestaan is op zichzelf merkwaardig, nu de Europese binnengrenzen zijn vervallen. Het ligt voor de hand om in een grondgebied waarin het vrij personenverkeer steeds verder verwezenlijkt wordt ook tot een gezamenlijk asielbeleid te komen.

Wat zou er op Europees niveau zoal moeten gebeuren? Een veelheid van maatregelen roept om besluitvorming en uitvoering. Door gemeenschappelijke Europese toelatingsregels voor vluchtelingen wordt voorkomen dat de reispatronen zich richten op de lidstaten waar een verblijf kansrijker wordt geacht.

Het systeem voor de uitwisseling van asielgegevens (Eurodac) dient nu eindelijk te worden ingevoerd.

De bewaking van de EU-buitengrenzen moet worden verbeterd. Er moet een Europese regeling komen voor evenwichtige verdeling van ontheemden in het geval van een massale instroom in de Unie tengevolge van oorlog. Men spreekt in dit verband van lastendeling, of liever verantwoordelijksdeling.

Ook het terugkeerbeleid moet Europees geregeld worden. Gezamenlijke afspraken over de beoordeling van de toestand in de landen van herkomst zijn onmisbaar en zo is er nog veel meer te doen.

Inmiddels is duidelijk geworden dat er op Europees niveau van de vereiste maatregelen maar weinig terecht komt. Eurodac komt eraan. Maar gemeenschappelijke Europese toelatingsregels zijn verworden tot een soort namaak-wetgeving, waarvan de uitvoering in de verschillende lidstaten op zijn minst onduidelijk is.

Een ontwerp-verdrag over de buitengrenzen ligt al sinds 1991 in de ijskast. Het is ongelofelijk maar waar. Nog meer onverantwoord vind ik het dat de EU nog steeds geen gezamenlijk beleid heeft ontwikkeld voor de opvang en lastendeling van ontheemden. Hoe zullen de lidstaten zich dan opstellen indien onverhoopt grote aantallen Kosovaren zich naar de Europese Unie begeven? Het is niet onwaarschijnlijk dat maar een beperkt aantal lidstaten zich voor hun opvang verantwoordelijk zal stellen.

De oorzaak van deze beleidsverlamming ligt noch bij de Europese Commissie noch bij het Europees Parlement. Een regeling voor de opvang van ontheemden bijvoorbeeld, is door de Europese Commissie voorgesteld en reeds vorig jaar door het Europees Parlement aangenomen.

De problemen liggen bij de Raad van Ministers. Die kan slechts besluiten met eenparigheid van stemmen. In het Verdrag van Amsterdam (een soort Grondwet van de EU) is dit stelsel gehandhaafd.

Aanpassing hiervan is dringend geboden maar is zij ook te verwachten? Daarover ben ik niet zonder hoop. Bij de slotonderhandelingen over het Verdrag van Amsterdam waren veertien landen bereid tot afschaffing van dit vetorecht. Deze afschaffing is gestuit op de bezwaren van Duitsland. En juist dat land heeft net als wij groot belang bij deze hervorming. Bij de eerstvolgende verdragswijziging komt dit punt zonder twijfel opnieuw op tafel te liggen. Maar voor de huidige Nederlandse problemen is dat natuurlijk veel te laat. Het lijkt verleidelijk om vervolgens een terugvalpositie in te nemen, onder het motto: als het niet kan zoals het moet, dan moet het maar zoals het kan. Een terugvalpositie in de vorm van een verdergaande samenwerking met die lidstaten die daartoe wel bereid zijn. Een soort coalition of the willing. In het Verdrag van Amsterdam is voor dit soort initiatieven een regeling opgenomen, maar deze is aan een aantal strikte voorwaarden gebonden. Ook deze weg biedt niet op zeer korte termijn soelaas.

De conclusie van het bovenstaande lijkt mij duidelijk: willen wij de oorzaken van de verhoudingsgewijs hoge aantallen asielaanvragen wegnemen dan zullen wij zelf beleid moeten voeren. Naast het algemene beeld dat in dit verband over ons land bestaat liggen die oorzaken zoals gezegd in de verschillen met het beleid van de buurlanden. Dat met name reisagenten op dat vlak calculeren is niet onlogisch.

Een aantal van die verschillen is wel bekend. Zij liggen zowel op het terrein van de opvang als op dat van de asielprocedures. Vooral opvallend vind ik verschillen in het terugkeerbeleid. Zo stuurt Duitsland al langere tijd Bosniers terug naar Bosnie. Nederland deed dat tot nu toe niet.

Dat leidt begrijpelijkerwijze tot de komst naar ons land van Bosniers die niet willen terugkeren.

Het is om te beginnen noodzakelijk om deze beleidsverschillen goed in kaart te brengen. Ik vraag mij in gemoede af waarom dat niet al veel eerder gebeurd is. Het dilemma dat zich vervolgens voor doet is, of wij ons asielbeleid op die onderdelen willen aanpassen. Dat is natuurlijk een kwestie van politieke beoordeling. Maar het wordt daarmee wel duidelijk dat wij bij afzien van aanpassing met de huidige onevenwichtigheid genoegen moeten nemen. De vraag is echter of kritiekloze aanpassing leidt tot een uit humanitair oogpunt onaanvaardbaar beleid.

Laat een ding duidelijk zijn: het Vluchtelingenverdrag dient onder alle omstandigheden geeerbiedigd te worden. Aan de andere kant is het taboe verklaren of ontlopen van een discussie over dit dilemma ongewenst.

Het beste zou zijn als op Europees niveau de lidstaten elkaar hadden weten te vinden. Dat is de koninklijke weg. Bij het ontbreken daarvan is het des te noodzakelijker dat de regering en de Nederlandse politieke partijen op korte termijn overeenstemming weten te bereiken over een pakket maatregelen ter oplossing van het asieldilemma.