Mijn bestaan is versnipperd, mijn onrust ook; Ivo de Wijs over Heerlijk duurt het langst

Ivo de Wijs, tekstdichter, bewerkte Annie M.G. Schmidts musical `Heerlijk duurt het langst' voor een hedendaags publiek. Hij verhoogde de vaart, maar was zacht voor de liedjes. “Je moet andermans dichterlijkheid een beetje met rust kunnen laten.'

“Van mij had ze de buurman mogen hebben', zegt Ivo de Wijs. De man die voor zichzelf het beroep `tekstdichter' heeft verzonnen, staat op en is met twee grote stappen bij zijn tekstverwerker. De schemer in zijn werkkamer, een knus hol onderin een houten huis aan de dijk in het Noord-Hollandse Nieuwendam, schikt zich naar het vierkantje grijs licht: over het beeldscherm rolt De Wijs' bewerking van Heerlijk duurt het langst. Het musicaldebuut van Annie M.G. Schmidt wordt opnieuw uitgevoerd en De Wijs kreeg de eer het geschikt te maken voor een hedendaags publiek. In een hels tempo rolt het stuk voorbij: het overspel van een meubelfabrieksdirecteur en de wraak van zijn Marian met buurman Ton. Voor dat verhaal hield de Wijs 1965 aan, maar hij laat het voorafgaan door een proloog, gesitueerd in 1998. De directeur en Marian zijn oud en kijken 32 jaar terug naar `een half jaar echtelijke bonje'. De Wijs werd daartoe aangezet door Schmidts tekst. Zij had het de fabrieksdirecteur al in 1965 laten vaststellen: “Je moet vooruitkijken in het leven. Maar als je achterom kijkt, zie je meer'.

Ivo de Wijs houdt zijn vinger op de toets. Verder snelt de tekst, steeds verder. Langs de cryptofilosofische kruidenier, langs een schijnzwangere dochter. Langs het wrange liefdeslied 't Is over met telkens het onvergetelijke donderende `Ze mag 'm hebben', langs een Turk die Ali heet, tot aan het slot: de echtelieden verzoenen zich. Nee, ook dat schiet voorbij. Uit het happy end van 1965 veren we weer terug naar waar we begonnen waren, naar 1998. Daar trekt De Wijs de consequentie uit Kom Kees: `Kom Kees, het is maar tijdelijk/ 't duurt nog een jaar of wat/ Dan ga je onvermijdelijk/ naar de bejaardenflat/ daar ga je dood en dan hebbie 't gehad'.

En zo is het, in de laatste scene. Iedereen is hoogbejaard, de fabrieksdirecteur huist in zo'n bejaardenflat en zijn Marian kreeg de buurman. Aardige man. Maar dat zal haar noch hem kunnen redden. “Nou ben je heel wat waard/ straks leg je opgebaard' - nummers als Kom Kees zijn drenzende dreumesen, lief maar ze blijven treiteren.

Het slot van De Wijs werd geschrapt. Kom Kees wordt wel aan het eind gezongen, maar bij wijze van toegift, en dan nog alleen het eerste zorgeloze, couplet. Niks `dan ga je dood', maar `'t komt weer goed!'. De Wijs zit er niet mee: “Mijn slotscene vertraagde alleen maar. Bovendien baseerde ik me teveel op de tekst. Ik wilde mijn eigen ei leggen en het is niet uitgebroed. En terecht, want in een musical moet het goedkomen: denk aan de grandioze slotzin van My fair lady: `Eliza, where the hell are my slippers!' '

Wonde plek

My fair lady is de beste musical die De Wijs kent, zegt hij. Teksten vol vondsten, ijzersterke karakters en een mooie verdeling van songs die allemaal a la minute te zingen zijn. “Elk goed lied heeft in zijn tekst en in zijn muziek een vondst. Het legt de vinger op de wonde plek door waar en mooi en leuk te combineren - dat is het hoogste wat je kunt bereiken. Op een mooie pinksterdag is een ideaal lied, met eerst die twee heel korte regels en dan die derde hele lange: `liep ik met mijn dochter aan het handje in het parrekie te kuieren in de zon'. Zeur niet is meer een song dan een musicalnummer. Dat heb ik ingekort, ik heb de generaal-die-een-mietje-lijkt eruit gegooid. Vond ik niks aan. Pierre Jansen zat erin, die moest ook het veld ruimen want te weinig mensen weten nog wie hij is. Ik heb hem vervangen door Corrie Brokken.

Ja, haar kennen de mensen weer wel. Zij heeft een comeback gemaakt. Kan je van Pierre Jansen niet zeggen.'

Hoe ver ging De Wijs met herschrijven van de liedjes? Mij troffen soms stoplapperige woorden zoals `beekforel'. Hij heeft er nooit over gepiekerd om dat te veranderen: “Je moet andermans dichterlijkheid een beetje met rust kunnen laten. Die beekforel had Slauerhoff ook niet verbeterd.'

Andermans dichterlijkheid, De Wijs kan er uren over vertellen. Je zou bijna vergeten dat hij zelf de dichter is van een aantal wonderschone gedichten. Zoals De brug terug, het sonnet dat hij schreef op de nieuwe brug bij Zaltbommel. Het is een soort zelfportret, waarin hij zich herinnert hoe hij afscheid nam van zijn geboortestad Tilburg en van zijn jeugd, toen hij over de Waalbrug trok, `naar Amsterdam, waar ik de wereld vond'. Zo is het letterlijk gegaan, zegt De Wijs: “Voor ik ging studeren was ik nog nooit in Amsterdam geweest. Wel in Groningen, maar dat vond ik veel te ver weg om te gaan wonen. Amsterdam leek dichterbij. Ik keek er mijn ogen uit, ik vergaapte me aan De Bijenkorf, aan de hoeren in de buurt daarachter. En alles was hoger dan in Tilburg. Ik ben in Amsterdam gebleven, wat ik doe moest ik hier doen, in dit broeinest van theater. Maar een ander, oud, verlangen kroop ertussen en dus woon ik nu hier, in Nieuwendam. Durp en stad, want het is hier ook Amsterdam. Ik bewerkte Great Expectations van Dickens voor het theater en herkende er veel in. Hoofdpersoon Pip trekt naar de grote stad, waar hij zijn afkomst verloochent. Hij wordt een beter mens als hij weer eerlijk is tegenover de mensen die hem hebben voortgebracht. Om die reden heb ik mijn zachte g gehouden.'

Arrive

`Een man in bonis', zo typeert hij zichzelf smalend in De brug terug.

“Jazeker, dat ben ik. Een arrive, die zijn zaakjes voor mekaar heeft. Met een huis, een inkomen, een vrouw, twee kinderen. Een algemeen geachte pijler van de maatschappij. Als cabaretier heb ik ertegen geblazen en nou zit ik in het web. Oudere cabaretiers zijn alleen nog in gepaste mate wild. Freek de Jonge, die is nu salonfahig hoor; altijd op de eerste rij als er iets het nationale geweten treft. Satire komt van buitenstaanders. Je kunt een buitenstaander blijven. Leo Ferre en George Brassens en ook Jacques Brel bleven ondanks hun jaren anti-maatschappelijk. Ze sloten zich af, trokken zich van niemand iets aan. Ze waren in staat zich niets gelegen te laten liggen aan de `handlangers van het noodlot', zoals Simon Carmiggelt kinderen noemde. Met de pen durf ik nog steeds alles en iedereen aan te pakken, maar het echt cabareteske is er vanaf. Hoe geloofwaardig kan ik zijn? Ik ken zo langzamerhand iedereen, ook Joop van den Ende. Ik ben te oud, ik neem mijn verlies. Be your age - er is niets ergers dan lifters van 55. Mijn leeftijd brengt me andere onderwerpen: liefde, dood, eeuwigheid, trouw.

“Mijn bestaan is versnipperd, mijn onrust ook. Ik ben een broodschrijver, ik doe wat er voorbij komt, maar niet voor niets ben ik tekstdichter, geen tekstschrijver: ik moet plezier in een opdracht hebben en er iets in kwijt kunnen. Nu ik klaar ben met Heerlijk ga ik aan de slag met nieuwe dingen: een tekst voor een klezmergroepje, een boekje over watertorens, mijn wekelijkse teksten voor het zondagochtendprogramma Vroege vogels. Alleen een heel enkele keer maak ik iets voor de lol. Een gedicht over mijn vrouw, iets voor kleine kinderen. Het dichterschap komt erbij, de drang is niet zo heftig.'

En de musical Lang leve de opera! dan? De Wijs schreef die, naar het leek, recht uit zijn hart: een verhaal over ouder worden in het theater, over afstand doen van status.

“Natuurlijk. Ik ben net vijftig geworden en ook ik vraag me af, wat kun je, wat ben je, wat laat je achter? Tot zover is die voorstelling de mijne. Maar ik schreef hem op verzoek van Jasperina de Jong. Zij wilde een voorstelling maken samen met de bas Lieuwe Visser zij vroeg mij die te schrijven en dat werd een verhaal waarin zij zangeres van het lichte genre, verzeild raakte in zijn wereld, die van de opera. Ik ben meer een invuller. Echte musicalschrijvers, dat zijn die twee jongens Van Dijk, van Cyrano en Joe. Die hebben alles gezien, die weten alles van elke musical af. Ik niet. Mij wordt een opdracht verleend: een musical. Dan zeg ik: Goed. Waar moet het over gaan?

“Ik heb plezier in woorden, de taal is mijn werktuig. Ik heb dat altijd gehad toen ik klein was al. Het Roomse geloof is gestoffeerd met hoogtijdagen. Alleen op nieuwjaarsdag was daar niet in voorzien, dus dat werd bij ons anders ingevuld: men verwachtte van mij, als oudste, een toespraak namens de kinderen. Hoe meer woorden je weet, hoe meer er te lachen valt. Waarom is een zin sterk? Het is de enige vraag die mij bezighoudt. Ik heb de liedjes geschreven voor de musical over Pippi Langkous en ik genoot: Pippi, Mississippi, op haar schippie. Ik houd van ordinaire woordspelingen. Onze kater moet worden geholpen, en ik kan het niet laten: `de kat streren', schrijf ik op het boodschappenlijstje. `Heel erg Ivo' noemen mijn kinderen dat.

“De kern van Lang leve de opera! zit in het lied `De Seizoenen', en dat lied is weer die ene zin: `De seizoenen komen terug/ de jaren niet'. Heb ik die, dan is de rest timmerwerk. Een ambacht. Ik verzamel rijmwoorden. De structuur is duidelijk. Vier seizoenen, dat is vier coupletten.

Een van die coupletten moet afwijken, anders wordt het saai voor het orkest. In dit geval lag het voor de hand dat dat het derde couplet zou zijn. De herfst is immers een keerpunt, het moment dat je je realiseert dat het te laat is en je je tijd hebt verdaan.'

Klapstoel

Hij schrijft liedjes als een smid die een paard beslaat, zoiets stel ik me voor. Maar wel een smid die van het paard gaat houden. Hij beaamt het: “Als ik in de zaal zit en mijn lied wordt op het podium gezongen dan ga ik anders zitten. Ik geniet of ik de pen nog in mijn vingers heb. Ik voel me de rots waar het uitgesijpeld is de bron. Ik streef naar een tekst waar iemand mee uit de voeten kan. Ik wil dienen, maar maakt die iemand het kapot, dan voel ik hoe het lied toch van mij is. Ik hoorde iemand eens twee coupletten vergeten en ik kroop onder mijn klapstoel - mijn kind stak over en de auto's naderden. Au.'

Au. Wie zo pijn heeft geleden, zal niet lichtzinnig andermans creaties bewerken. Voor je het weet heb je, met de beste bedoelingen, een aanslag gepleegd. Op Annie M.G. Schmidt bijvoorbeeld. Op Heerlijk duurt het langst.

Ivo de Wijs was zich het gevaar bewust, maar: “Heerlijk is te lang, zei Annie Schmidt altijd en al bij de eerste besprekingen smeet componist Harry Bannink meteen een heel lied eruit: `Oeh' schrapte hij. Dat hielp allemaal geweldig. Niemand kan je leren hoe je moet bewerken, dat moet je zelf uitzoeken.

“Ik heb vorig jaar De Jantjes aangepast zonder een seconde gewetensnood. In Heerlijk heb ik de afhandeling van het verhaal vereenvoudigd. Er was een ingewikkeld gedoe met veel opkomen en afgaan rond een verdwenen kruidkoek. Die koek moest eruit, dat was duidelijk.

En er moesten pikanterieen sneuvelen gepruts met een `eurobed' bijvoorbeeld. Pikanterieen zijn nooit Annie's sterkste punt geweest, zij was vooral sterk in zwartgalligheid of als ze van dik hout planken zaagde. Het meest verbazende vind ik de keuze voor het personage van de kruidenier, Kees Bloem. Annie Schmidt voert vaak de middenstand op, maar deze kruidenier speelt een erg vage rol. Hij staat los van de handeling, terwijl hij wel optreedt met twee voortreffelijke nummers, de `Pinksterdag' en `Kom Kees'. Naar de reden kun je alleen raden. Misschien schreef Annie Schmidt hem erin met de acteur Leen Jongewaard in haar hoofd. Misschien wilde ze dolgraag zinnen tikken als `Elke week op cursus krijg ik meer inzicht in de ziekte van de moderne mens'. Of: `En dan is ze labiel weet u wel, uit d'r balans, nog tutti-frutti gewenst?'.'

Hormonen

“De liedjes heb ik met zachtheid benaderd, alleen sporadisch heb ik een couplet laten vallen. En van de vader die een `nul' is in `Op een mooie pinksterdag' heb ik ogenblikkelijk een `lul' gemaakt - dat dat niet kon, was in 1965 al een aanfluiting. De liedjes zijn onhandig over Heerlijk verdeeld, heel veel voor de pauze en te weinig erna. Een groter probleem was dat het ballet na de pauze niets meer te doen had. De Jantjes had te weinig liedjes en ik zag er geen been in om er vijf bij te schrijven. Hier was mijn schroom te groot. Ik heb in het oeuvre van Annie Schmidt gezocht en uit Ja zuster nee zuster `Ladumaar' geadopteerd. De tekst heb ik in stijl en inhoud aan de musical aangepast. Dus in plaats van `Meneer de Bree uit Wijk aan Zee/ brengt elke dag een grote zak tomaten voor me mee' uit de kinderserie, is het nu `Meneer de Bree uit Wijk aan Zee/komt elke lieve dag met z'n hormonen op de thee'.

“Verder vonden we de titelsong terug, een danslied in een restaurant. Die hele scene was in de oorspronkelijke versie geschrapt. Bij een repetitie was het decor omgevallen, en blijkbaar vond men het te gevaarlijk. Ik wilde het hoe dan ook er weer in. Harry Bannink ook, die heeft nieuwe muziek voor het lied gemaakt. Er zitten schitterende zinnen in die ik moest en zou redden zoals `Ga je trouwen met die zak?'. En het is de enige gelegenheid dat de twee overspelige stellen elkaar treffen, de directeur en zijn secretaresse, Marian en de buurman.'

En dus gaat het publiek de pauze in, terwijl het nazoemt: `Heb geen remmen, heb geen angsten/ Heerlijk heerlijk duurt het langste/ Trek je stoute schoenen aan en dans met mij'. Wat betekent dat toch, Heerlijk Duurt Het Langst? De Wijs zal het een zorg zijn. “Titels, daar moet je nooit zwaar aan tillen, die zijn er meestal eerder dan het stuk. Het is niet meer dan een elegante woordspeling op `eerlijk duurt het langst', met de inhoud van de musical heeft het niets te maken. Een lofzang op het leven die weinig om het lijf heeft. Want fantasie en geluk zijn voor de jeugd. De pessimisten winnen.

“Annie Schmidt had een grote hang naar gezelligheid, maar als je haar werk iets verder binnenkijkt, zie je dwarse karakters en een aanzienlijke hoeveelheid gezond Nederlands cynisme. De directeur is zo onredelijk dat hij er leuk van wordt. Hij is geen ellendeling, hij is zwak, zoals mannen vaak zijn. De vrouw is sterk, zij blijft overeind.'

Stiekem

Aan de andere kant trof mij juist Schmidts ontluisterende inzicht in de diepste, stiekemste, meest verboden verlangens van die vrouw. `Ik wou zo graag eens huilen met m'n hoofd tegen een jas/Ik wou dat ik afhankelijk en heel erg zielig was' zingt Marian, en ook: `Ik wou zo graag eens zeggen: Schat ik kan dat niet zo goed/ Ik wou dat hij dan zei: Ik zal je leren hoe dat moet'.

Dat zijn verlangens die tot op vandaag de dag opspelen.

“En toch heb ik nooit overwogen om Heerlijk van 1965 te verplaatsen naar onze tijd. Universeel is het veilige gezin dat Annie Schmidt oproept, om er dynamiet onder te leggen en te kijken wat er gebeurt. Dat kan in elke tijd. Maar Heerlijk is ondenkbaar zonder de wederopbouw en de deuken die er in in de jaren zestig in die idealen werden geslagen. Vanaf 1945 was er gewerkt. De Duitsers hadden een puinhoop van Nederland gemaakt en iedereen werkte hard om er weer iets moois van te maken. Toen stonden die nieuwe frisse flatgebouwen er en toen begon de jeugd moeilijk te doen. De oude waarden vertoonden barsten en Annie Schmidt leeft zich erop uit. Niet door er zoutzuur in te gieten nee, op zijn Hollands, via het doorgeefluik. Met woorden die ik van mijn leven nooit had opgetikt. Postelein. Ribstuk.

“Overspel is nu zo anders en ook in andere opzichten staat niemand meer zo in het leven als je hier aantreft. Een echtgenote heeft haar huis, zijn inkomen en d'r dochter. Een man kan het bestaan om binnen het uur zijn vrouw te beloven dat hij haar `niet in de steek zal laten' en tegen zijn secretaresse annex minnares te zeggen `jij hebt mij nodig'. Iedereen vindt dat heel gewoon, terwijl die vrouw hem in alles de baas is en die secretaresse vier handelstalen beheerst! In deze musical gaat een man op avontuur en belandt bij zijn vrouw. Hij denkt, onder invloed van de jongelui die op de Dam stickies zitten te roken `alles moet kunnen, dat wil ik ook'. Zijn vrouw blijft heel erg ribstuk.'

Tijdgebonden zeldzaam in een heden ten dage geschreven voorstelling, is de rol van Ali de Turk. Hij is agressief, hij bezigt uitsluitend woorden die met eten te maken hebben en wordt in het algemeen neergezet als een lastige schoothond.

Ivo de Wijs heeft nooit een seconde aan hem getwijfeld. “Die Turk? Die moest blijven zoals hij is. Die is leuk, met zijn `vla toe'. Hij is een Turk, hij is het tegendeel van louche en hij heeft niet die traditionele snor. De meest trouwhartige borst die je je kunt indenken, maar helaas een exemplaar van de mannelijke soort en dus deugt hij niet. Hij is een echo van de directeur, een enthousiaste vreemdganger. Hij is een karikatuur, dat hoort bij een musical. Daar is een nicht een hele enge nicht, en een professor heeft een baard en een bril.

Zo doe je dat.'