Liefde als basis voor verzet; Nobelprijswinnaar Jose Saramago

Zelden zal in Nederland een vertaling op zo'n gelukkig tijdstip verschenen zijn als de roman De stad der blinden van de Portugese schrijver Jose Saramago. Het boek lag net in de winkel toen bekend werd dat de auteur de Nobelprijs voor literatuur was toegekend. Een volslagen verrassing was dat niet. De naam van Saramago lag de literaire tipgevers al enkele jaren op de lippen bestorven.

Maar het was een prettig toeval dat Meulenhoff Saramago's nieuwe Nederlandse uitgever, zojuist had besloten tot de heruitgave van Memoriaal van het klooster, waarmee hij in 1982 internationaal doorbrak, en De stad der blinden, zijn meest toegankelijke boek uit 1995, net was vertaald.

Niet dat Saramago zo'n ingewikkeld schrijver is. Zijn stijl heeft een paar typerende kenmerken, waar je snel aan went. Volle bladzijden zijn het eerste wat opvalt. Er zit weinig wit in Saramago's romans. In de loop der jaren zijn zijn alinea's steeds langer geworden en nu beslaan ze vaak meerdere bladzijden aaneen. En de dialogen zijn achter elkaar doorgeschreven, waarbij alleen een komma en een hoofdletter aangeeft dat de spreker wisselt.

Saramago schrijft als een verhalenverteller, met de middelen en de natuurlijkheid van de orale literatuur, die Harrie Lemmens in zijn vertalingen razend knap naar het Nederlandse ritme heeft weten over te brengen. Hij ontdekte die techniek bij het schrijven van zijn roman Levantado do Chao (Opgestaan van de grond), waarmee hij in 1980 in Portugal doorbrak en waarin hij het bestaan schilderde van de straatarme boeren uit de Alentejo. Hij hervertelde wat zij hem hadden verteld, en bewaarde daarbij de soepelheid waarmee vertelling, dialoog overpeinzing en commentaar in mondelinge verhalen in elkaar overvloeien.

Hij bewaarde ook de maat daarvan. Elke alinea is net zo lang als de spanningsboog van de verteller reikt. Na elke onderbreking begint het verhaal weer vanuit een nulpunt, waaiert uit en komt opnieuw tot stilstand in een rustpunt, vaak een gezegde of levenswijsheid die de grondtoon van het volksrelaas is. Alinea's zijn de basiseenheid van Saramago's boeken, niet de hoofdstukken, waarvan de indeling vaak alleen maar dient om de tijd te laten verspringen. En ook niet de afwisseling van stijl of genre, waarvan de grenzen vaak nauwelijks zichtbaar zijn. Maar echte spreektaal wordt Saramago's stijl nooit. Realisme is in de kunst nu eenmaal de tovertruc het kunstmatige te laten doorgaan voor het echte, dat - letterlijk weergegeven - alleen maar gekunsteld zou zijn.

Hoe echter de kunst, des te groter de simulatie.

Boosaardig

Het doet misschien wat vreemd aan bij Saramago's literatuur over realisme te spreken. Veel van zijn verhalen lijken eerder fantastisch of het nu gaat om de bouw van een megalomaan klooster in de achttiende eeuw en een vrouw die dwars door de mensen kan heenkijken (Memoriaal van het klooster), om een evangeliegeschiedenis waarin God boosaardiger is dan de duivel en Jezus zijn onwillige slachtoffer wordt (Het evangelie volgens Jezus Christus) of om een historisch feit dat door een drukproef-corrector eeuwen later met de toevoeging van een woord in zijn tegendeel wordt omgedraaid (Het beleg van Lissabon).

En als Saramago niet op fantastische wijze het verleden herschrijft, dan herschrijft hij wel de toekomst, zoals in de nog niet vertaalde roman Het stenen vlot waarin het Iberisch schiereiland zich van Europa losmaakt en wegdrijft om tenslotte tussen Zuid-Amerika en Afrika voor anker te gaan. Of in het naar ecologische science-fiction neigende plot van De stad der blinden waarin - net als in John Wyndhams The Day of the Triffids - heel de mensheid door een geheimzinnige epidemie blind wordt en binnen de kortste keren laat zien dat diep in zijn hart de mens voor de mens nog altijd een wolf is.

Maar altijd gaan die boeken over het heden: over de duivelse invloed van de macht en de bereidwilligheid van mensen om zich daarnaar te plooien, over de banale werkelijkheid die schuil gaat achter de schitterendste ondernemingen die mensen laat lijden en tegelijk lijken opgezet om dat lijden te doen vergeten. En over de enige remedie daartegen: het plegen van verzet, dat gedragen wordt door liefde. Zo probeert de drukproef-corrector Raimondo Silva in Het beleg van Lissabon niet alleen de historie te veranderen door in het geschiedenisboek dat hij moet nazien een troep kruisvaarders niet (in plaats van wel) te laten deelnemen aan de inname van Lissabon.

Hij schrijft ook een alternatief relaas daarvan, dat weliswaar onvermijdelijk uitmondt in het historische bloedbad van 1147, maar waarmee hij ook de liefde wint van zijn cheffin Maria Sara en zo zijn eigen doodse bestaan doorbreekt.

Het pessimisme, dat Saramago vaak wordt aangewreven omdat hij zich over de menselijke neiging tot onderwerping en collaboratie weinig illusies maakt, wijkt in zijn boeken uiteindelijk altijd voor dit geloof in de liefde die - als ze wil - sterker is dan alles. Dat humanisme heeft voor de Zweedse Academie van Wetenschappen waarschijnlijk de doorslag gegeven bij de toekenning van de Nobelprijs, maar ligt ook ten grondslag aan zijn omstreden communistische engagement. Meer dan een politieke overtuiging is dit communisme een soort bestaansvertrouwen of zoals Saramago het zelf wel genoemd heeft, een levenshouding. Dat dat tot spanningen moet leiden met het communisme als politieke beweging is onvermijdelijk. Maar anders dan met de katholieke kerk, die in de betekenis van zijn werk veel christelijks had kunnen herkennen maar zich liever opwond over het blasfemisch karakter van zijn Evangelie volgens Jezus Christus, heeft Saramago het nooit op een botsing met de Communistische Partij laten aankomen.

Het realisme van Saramago's werk schuilt in de aanhoudende beproeving van die humanistische overtuiging, die hij elke roman weer opnieuw onderneemt. In De stad der blinden is hij daarin het verst gegaan. De blindheidsepidemie werpt de mensheid terug tot een situatie van voor elke beschaving, en pas dan wordt duidelijk hoe moeizaam een menswaardig samenleven bevochten moet worden. De kleine groep overlevenden die Saramago in zijn boek volgt, houdt het uit omdat een paar leden ervan de zorgzaamheid en het vermogen tot liefhebben niet verliezen.

Dat zijn vooral vrouwen, die bij Saramago vaak de pijlers van de menselijkheid zijn: een meisje dat zich ontfermt over een jongetje dat zijn moeder is kwijtgeraakt, een vrouw die als enige is blijven zien en daarmee - als een omgekeerde blinde profeet uit de oude tradities - het overleven van de kleine groep richting kan geven.

De stad der blinden is Saramago's meest toegankelijke en uitgesproken boek omdat hij over het allegorische karakter ervan geen twijfel laat bestaan. In veel van zijn romans wordt terloops verwezen naar blindheid en naar de volkswijsheid dat de ergste blinde degene is die niet wil zien. Aan het slot van zijn roman geeft Saramago zijn moraal in een kenmerkende dialoog tussen twee overlevenden uitdrukkelijk prijs: `Wil je weten wat ik denk, Ja, wat, Ik denk dat we niet blind zijn geworden, ik denk dat we blind zijn, Blinden die zien, Blinden die ziende niet zien'. Even uitdrukkelijk had hij zijn boek een `essay' genoemd: Essay over de blindheid (Ensaio sobre a Cegueira), een negatieve tegenhanger van Rousseau's opstel Over het sociaal contract, of beter nog romaneske verhandeling over de onmisbaarheid van de liefde, zoals Camus' La peste er een over het humanistisch engagement was.

Meer dan in welke van zijn boeken ook toont Saramago zich hier een onvervalst moralist, voor wie de stijl altijd ondergeschikt blijft aan de overtuiging. Alleen in dat licht is het slot van het boek, waarin alles als bij toverslag tot het oude en alledaagse terugkeert, geen anticlimax. Wat het boek beschrijft is het alledaagse, laat Saramago weten: wat een fantastische vertelling lijkt, is in werkelijkheid een pijnlijk realistisch essay over de menselijke toestand en de enig mogelijke wijze om onszelf boven beestachtigheid te verheffen.

Dat is een simpele boodschap, maar we hebben de literatuur nodig om die te kunnen horen. Tegen het einde van het boek laat Saramago de ene vrouw die nog ziet romans voorlezen aan haar groep, niet alleen om de verveling te verdrijven maar ook om morele wezens te blijven. Een schrijver die zij op haar dooltochten ontmoet vertelt hoe de algemene blindheid zijn beroep en zijn naam met een klap betekenisloos gemaakt heeft. Niet alleen omdat niemand meer kan lezen, maar vooral omdat de wereld alle waarden heeft verloren waarvan de literatuur bestaat. Elk boek probeert orde en betekenis te scheppen, maar wanneer de mensheid die de betekenis van woorden en namen zou kunnen begrijpen wegglijdt in animaliteit, wordt elk boek absurd.

`Blinden hebben geen naam nodig ik ben deze stem die ik heb, de rest doet er niet toe', zegt de schrijver die ooit misschien beroemd was. Niemand heeft een naam in De stad der blinden. De personages heten `het meisje met de zonnebril', `de oogarts', `het jongetje dat scheel kijkt' of `de autodief'. De vrouw die als enige haar gezichtsvermogen behoudt, `de vrouw van de oogarts' doorziet dat verlies aan identiteit en menselijkheid al snel. `Wat voor nut zouden onze namen nog hebben, honden herkennen andere honden niet door de naam die ze hebben gekregen, maar aan de geur, en zo maken ze zich ook kenbaar, wij hier zijn net een soort afwijkend hondenras', mijmert ze in het begin van de roman, wanneer de ergste verschrikkingen nog moeten komen.

Toch is die teloorgang van de namen in De stad der blinden niet alleen een teken van verlies. `Er is tussen ons iets dat geen naam heeft en dat iets is wat wij zijn,' laat Saramago het meisje met de zonnebril opmerken.

Namen hebben voor Saramago altijd iets verdachts. Ze verbergen meer dan ze onthullen, en wat ze tonen is vaak vals. Zo laat hij in zijn meest recente roman Todos os nomes (Alle namen) uit 1997 - waarin, op de hoofdfiguur na, eveneens niemand bij name genoemd wordt - een ambtenaar uit het bevolkingsregister op zoek gaan naar de ware identiteit van een vrouw wier systeemkaart hem intrigeert.

In Manual de Pintura e Caligrifia (Handboek van schilderkunst en kalligrafie) uit 1976, zijn allereerste roman - als we zijn `jeugdzonde' La viuva (De weduwe) uit 1947 niet meetellen - die als een soort Poetica voor zijn verdere werk zou kunnen gelden, is het niet anders. De verteller ervan is een schilder die achter het gelaat dat hij moet portretteren de unieke persoon tracht te zien. Daarom duidt hij hem - net als zichzelf - alleen met een initiaal aan, want, zo schrijft hij, `met het kiezen van een naam zou ik hem al klassificeren en in een bepaalde categorie plaatsen'. Maar zelfs de kunst is tenslotte niet in staat de volstrekte uniciteit van ieder mens te vangen, zo ontdekt hij. Hij wisselt het schilderen van portretten in voor scenes uit het alledaagse leven, engageert zich in de strijd tegen de dictator Salazar en vindt tenslotte in de liefde de volmaaktheid waarnaar hij op zoek was.

Raadsel van de nam

Die volmaaktheid is enkelvoudig: ze ligt in een persoon, niet in een algemeenheid. Maar tegelijk is die persoon zo veelvoudig dat een naam haar niet kan dekken. In geen van zijn romans heeft Saramago het raadsel van de naam en de persoon zo uitvoerig aan de orde gesteld als in O ano da morte de Ricardo Reis (Het jaar van de dood van Ricardo Reis) uit 1984 waarvan volgend jaar een Nederlandse vertaling uitkomt.

Ricardo Reis was een van de vele pseudoniemen van de Portugese dichter Fernando Pessoa en Saramago laat deze fictieve figuur kort na de dood van Pessoa in Lissabon terugkeren, waar hij in nachtelijke gesprekken met zijn overleden alter-ego de verschillen tussen hun persoonlijkheden bespreekt en constateert hoe zij ook zelf onder de (politieke) omstandigheden van het turbulente jaar 1936 van persoonlijkheid veranderen.

Het duizelingwekkend spel dat Saramago in deze roman speelt met de talloze personen (pessoa in het Portugees) van Pessoa, is in De stad der blinden tot simpeler dimensies teruggebracht. Dat het opgeven van namen en woorden geen oplossing is voor hun ontoereikendheid, maakt de verschrikking waarmee dat taalverval gepaard gaat, wel duidelijk. Hoe beperkend een naam ook mag zijn, ze is altijd nog vele malen rijker dan de functionalistische uiterlijkheid van omschrijvingen als `het meisje met de zonnebril' of `de vrouw van de oogarts'.

In haar gesprek met de naamloze schrijver lijkt Saramago de laatste een aanvulling in de mond te leggen op de poetica van zijn eerste roman. Nadat ze geconstateerd heeft dat een overvloed aan woorden vaak het feit verhullen dat ze zo gedetailleerd lijken te willen beschrijven, vraagt de schrijver: `Bedoelt u dat we te veel woorden hebben, Ik bedoel dat we gevoelens te weinig hebben, Of we hebben ze wel, maar gebruiken de woorden die ze uitdrukken niet meer, En zijn ze dus kwijtgeraakt.'

Het hervinden van de juiste woorden, in hun steeds weer eenmalige rijmen op de werkelijkheid, is de belangrijkste literaire taak van de literatuur. Dat de gepaste gevoelens en gedachten daarmee niet zonder uitdrukking blijven en zo in hun bestaan kunnen volharden, is volgens deze kleine poetica haar humanistische opdracht.

Waarschijnlijk heeft Saramago gelijk wanneer hij die taak het grootst acht in de sfeer van de alledaagsheid, niet in het uitzonderlijke. Want daar verslijten de woorden het hardst. Woorden als verzet en trouw. En boven alles liefde.