Ik ben een conservator; Gesprek met Hans Locher, directeur van het Haags Gemeentemuseum

“Een modern museum is niet een museum dat alleen maar de allernieuwste kunst laat zien, het toont kunst die nu beleefd wordt,' zegt Hans Locher directeur van het Haags Gemeentemuseum.

Hans Locher houdt van wandelen. Iedere ochtend loopt de directeur van het Haags Gemeentemuseum een half uur van zijn woning naar zijn werk en als hij daar om zeven uur aankomt kuiert hij nog eens drie kwartier langs de collectie. “Het mooiste moment van de dag', zegt hij. “Er is dan nog niemand en ik heb het hele gebouw voor mezelf.' Dat hij daarbij een straf tempo kan aanhouden bewijst hij, als we later op de ochtend door het museum naar de depots lopen. Het is enkele weken voordat het `nieuwe' Haags Gemeentemuseum zal worden geopend - we manoeuvreren ons naar de uitgang langs steigers, schilders en afdekplastic. De afgelopen drie jaar is het museumgebouw, dat in 1935 werd ontworpen door H.P.Berlage voor 54 miljoen gulden gerenoveerd. Daarbij werden vooral de veranderingen ongedaan gemaakt die de museumstaf in de jaren vijftig en zestig had aangebracht. Muren werden uitgebroken in die periode, schuine wanden rechtgetrokken en typische Berlage-decoraties weggewerkt achter panelen. “Men wilde hier in die jaren steeds meer tentoonstellingen maken' zegt Locher (1938). “Maar al snel bleek dat het gebouw daar niet geschikt voor is. Grote schilderijen kunnen er niet in, evenmin als installaties of video. Bovendien vond men al die kamertjes van Berlage maar getuigen van hokjesgeest, en dus werden ze uitgebroken. Tijdens deze restauratie is alles weer in oude staat hersteld, juist om te laten zien hoe prachtig dit gebouw van zichzelf is. Er is geen museum ter wereld dat zulk een schoonheid van daglicht in zijn zalen heeft. De beperkingen die dat oplevert nemen we voor lief, sterker nog, we gaan er onze kracht van maken.'

U heeft dus eigenlijk een museum met het gebouw als belangrijkste collectie-stuk.

“Dat is te veel gezegd, maar het gebouw is zelf wel een van de topstukken, dat bovendien bepaalt hoe we de andere werken tonen. Dus: wel schilderijen, maar tot een bepaald formaat, wel beelden, maar geen zaalvullende installaties. En geen film- of videokunst, want dan moeten we de zalen verduisteren en dan halen we dat prachtige licht weg - en dat doen we niet meer.'

Maakt u van het museum daarmee niet een museum voor het interbellum?

“Oh, maar dat is zeker niet de bedoeling. Dit mag nooit een museum worden dat alleen over de jaren twintig en dertig gaat - dan doe ik de andere collecties tekort. En er zal ook heel wat moderne kunst hangen, werken die dit jaar gemaakt zijn. JCJ Vanderheyden krijgt een vaste eigen zaal, net als Constant. En er komt werk van Frank van Hemert, van Ossip, van Carel Visser.'

Dat is nogal een breuk met het beleid van Rudi Fuchs, uw voorganger. Die richtte zich vooral op grote internationale kunstenaars als Jannis Kounellis en Bruce Nauman.

“Dat is alleen tot op zekere hoogte waar. Bij Fuchs is er altijd een verschil tussen zijn imago en de werkelijkheid. Hij heeft bijvoorbeeld mij hier naartoe gehaald - als hij van dit museum een kolkend hedendaags instituut had willen maken had hij wel iemand anders genomen. En ook zijn de eerste gedachten over de renovatie al in zijn beleidsplan te vinden. Ik geef toe: onder zijn bestuur zou de internationale hedendaagse kunst hier meer ruimte hebben gekregen. Hij zou de restauratie waarschijnlijk ook zo hebben uitgevoerd dat die Nauman en die Kounellis hier wel getoond zouden kunnen worden.'

Die werken zijn nu verhuisd naar het Stedelijk. Beloont u Fuchs daarmee niet voor twee miskopen?

“Nee, want het zijn geen miskopen.

Vooral die Kounellis vind ik bijzonder. Maar hij past niet in het gebouw zoals het nu is, en dan houdt het op. Dan kan-ie beter naar het Stedelijk. Hetzelfde geldt voor de Nauman, en daar komt dan nog bij dat ik niet van Nauman hou, daar heb ik niks mee.'

We zijn bij het schilderijendepot aangekomen, dat is gevestigd onder het Museon, de buurman van het museum. Nadat Locher op wat knoppen heeft gedrukt zwaait er een deur open naar een ruimte waar op ijzeren rekken honderden schilderijen rusten. We wandelen langs een doek van Francis Bacon, in de schemering doemt werk op van Charley Toorop en haar zoon Edgar Fernhout. Aan het einde van de gang klikt Locher een leeslamp aan, schijnt die naar rechts en dan licht het nieuwste pronkstuk van de collectie op: Mondriaans Victory Boogie Woogie, die er zelfs onder dit felle lamplicht prachtig uitziet. Het wit straalt als een sneeuwlandschap in de zon en de rode gele en blauwe kleurenvlakken dansen voor de ogen - doordat er geen patroon in het schilderij te ontdekken is, zoekt de blik vergeefs naar houvast. Het gezicht van Locher heeft ondertussen een metamorfose ondergaan: van neutraal vriendelijk naar dat van een vader die zijn baby aanschouwt. “Wat ik zo intrigerend vind aan dit schilderij', zegt hij “is dat het vanaf het begin als een meesterwerk is herkend. Al voor Mondriaan het af had, had Valentine Dudensing, een galeriehouder, het van hem gekocht. Toen Burton Tremaine in 1944 bij Dudensing kwam en vroeg of hij de Victory wilde verkopen zei Dudensing: `alleen als ik er een kasteel in Frankrijk voor terug kan kopen'. Dat klinkt misschien absurd, maar het geeft aan dat ze allebei wisten hoe bijzonder de Victory was. En zo is het gegaan: Tremaine betaalde 8000 dollar voor het doek.

Dudensing heeft onmiddellijk z'n galerie van de hand gedaan en zich terugtrokken op een kasteel in Frankrijk.'

Drooggelegd

Met de aankoop van `de Victory' kwam er voor het Haags Gemeentemuseum een einde aan de rampzaligste periode uit haar bestaan. Die begon in 1991, toen na een paar lekkages bleek dat het museum niet langer onder deze condities kon functioneren - het gebouw was een gevaar geworden voor de collectie die het geacht werd te bewaren. Directeur Rudi Fuchs en adjunct Hans Locher begonnen met het opstellen van een renovatieplan. Dat werd onderbroken toen Fuchs eind '92 plotseling tot directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam werd benoemd. Locher werd aangesteld als zijn voorlopige vervanger, waar hij nog maar net was begonnen toen duidelijk werd dat het museum in forse financiele problemen verkeerde: er bleek een tekort van vier miljoen op de begroting te zijn. Om dat in te lopen besloot de gemeente Den Haag een aankoopstop in te stellen, wat betekende dat de conservatoren, die tot dat moment jaarlijks voor zo'n 500.000 gulden mochten besteden, vier jaar volledig werden `drooggelegd'. Kort daarop werd bovendien bepaald dat het gebouw gerenoveerd zou worden, waardoor het museum drie jaar zou moeten sluiten. Het Haags Gemeentemuseum, met de grootste Mondriaan-collectie ter wereld, een van de grootste muziek- en modecollecties in Europa, een prachtige verzameling kunstnijverheid en een depot met schilderijen waar ieder museum jaloers op zou zijn, leek volledig van de kaart geveegd. Niettemin accepteerde Locher, die vanaf 1965 in het museum had gewerkt met een onderbreking van enkele jaren als hoogleraar in Groningen, in 1992 de benoeming tot directeur.

Had u ooit de ambitie om directeur te worden?

“Helemaal niet. Ik ben er ook het type niet voor. Een goede directeur moet een goede manager zijn en maatschappelijk een beetje behoorlijk functioneren. Dat is niet bepaald mijn sterkste kant. Een directeur moet ook een uitgebreid netwerk hebben en veel rondreizen om mensen te spreken - en ik hou niet van reizen. Ik ben meer een conservator; het liefst zit ik in het museum om voor de verzameling te zorgen of geef ik les, zoals ik deed in Groningen. Maar goed, toen Rudi vertrok lag het voor de hand dat ik waarnemend directeur zou worden en misschien wel gewoon directeur. Daar heb ik lang over nagedacht. Ik vond: als ik het niet zou doen moest ik ook m'n mond houden als er een directeur kwam die het in mijn ogen niet goed deed. Die kans was redelijk groot, want ik kon de potentiele kandidaten wel overzien en daar was niemand bij die de collectie en het museum zo goed kende als ik. Dus toen vond ik dat ik m'n verantwoordelijkheid moest nemen.'

U heeft vervolgens al snel besloten het museum volledig in oude staat te herstellen.

“Ja, dat is het beste wat je kon doen. Dit gebouw is in 1935 door Berlage en de toenmalige directeur Van Gelder opgezet met een specifieke filosofie: ze wilden de kunsten toegankelijk maken voor de gewone man. Een van de middelen daartoe was het museum op een navenant niveau brengen, en dus werd van dit museum een soort grote huiskamer gemaakt. De kunst die hier het beste tot zijn recht komt is dan ook kunst die je normaal in de huiskamer hangt, iets groter misschien. Schilderijen als die van Barnett Newman kun je hier daardoor niet tonen - de Victory is zo ongeveer het grootste schilderij dat hier nog goed tot z'n recht komt.'

Heeft u het Fuchs kwalijk genomen dat hij bij zijn vertrek een puinhoop achterliet?

“Nee, er valt hem niets te verwijten.

Fuchs was naar Den Haag gehaald om dit museum in de vaart der volkeren op te stoten. En als je hem haalt moet je hem ook de middelen geven. Rudi is nu eenmaal Rudi, die geeft overal waar hij komt een hoop geld uit. Geef je hem, zoals in Den Haag twee, drie ton voor moderne kunst, dan weet je dat je iets absurds doet. Ik was vooral treurig toen de gemeente besloot het aankoopbudget voor vier jaar te gebruiken om die schuld te compenseren. Daar staat tegenover dat de gemeente de restauratie en renovatie van 54 miljoen mogelijk heeft gemaakt, en onlangs nog 1,7 miljoen heeft bijgedragen aan de aankoop van de Victory - dat was een kolossale geste.'

In hoeverre heeft u, zoals Fuchs, de behoefte om in dit museum uw persoonlijke visie op kunst uit te dragen?

“Die behoefte heb ik helemaal niet. Ik vind dat een conservator een doorgeefluik is, verder niks. Je moet de omstandigheden creeren om kunst optimaal te tonen, en dat zoveel mogelijk doen in de geest van de kunstenaar. Als het even kan haal ik de kunstenaar erbij als we zijn werk ophangen, zoals bij JCJ Vanderheyden. Als dat niet meer kan, zoals bijvoorbeeld bij Mondriaan, denk ik dat we het hangen zoals hij het zelf goed zou vinden.'

Heeft u het idee dat u Mondriaan begrijpt?

“Ja. Anders zou ik het niet wagen om zijn werk zo neer te hangen. Alle kunst die ik ophang pretendeer ik te begrijpen. Anders had ik een ander vak moeten kiezen.'

Wat was Mondriaan volgens u voor iemand?

“Een ontzettend opgewekte man die met veel levenslust zijn werken maakte. Een en al zinderende toekomstgerichtheid. Een vrolijk makende man een blije man. Carel Blotkamp dacht geloof ik dat Mondriaan een zuurpruim was, maar daar geloof ik niks van.'

Als u het gebouw zo belangrijk vind: in hoeverre kunt u zich inleven in de wereld van het gebouw?

“Die wereld is belangrijk voor mij.

Dit is het museum waar ik voor het eerst een tentoonstelling heb bezocht. Bovendien was mijn grootvader bevriend met Van Gelder, de eerste grote directeur hier. Toen mijn grootvader, die arts was, met pensioen ging, vertrok hij naar een dorpje bij Lochem. Daar was hij een van de notabelen, een andere notabele was mevrouw Bonger. Zij was de weduwe van Andries Bonger, die weer de beste vriend was van Theo van Gogh, de broer van Vincent. Zij had altijd veel neefjes op bezoek. Op een keer vroeg ze aan mijn grootvader of die ook niet een van zijn neefjes kon sturen, om samen te spelen. Met dat neefje boterde het niet erg, maar mevrouw Bonger zag dat ik met grote ogen rondliep in haar huis. Dat was ook werkelijk bijzonder: er was een bibliotheek met 10.000 Engelse en Franse boeken, en het hele huis hing vol met kunst: Van Goghs, Cezannes, de grootste Odilon Redon-collectie ter wereld - ze had een schilderij van Cezanne boven het theelichtje hangen. Ze praatte ook over Theo en Andries alsof ze nog leefden - het gaf mij het gevoel of ik dat verleden een hand kon geven. Dat heeft me diep geraakt.'

Verklaart dat ook waarom u meer lijkt op te hebben met de kunst uit die tijd dan met hedendaagse kunst?

“Ik vind dat het begrip `kunst van nu' altijd vreemd wordt gehanteerd. Voor mij is hedendaagse kunst kunst die op dit moment relevant is, die leeft. De Victory bijvoorbeeld is volkomen van nu. Schilderijen van Monet, de Haagse school - ook van nu. Het kan zelfs gelden voor een Islamitisch vaasje van duizend jaar geleden. Een modern museum is dan ook geen museum dat alleen maar kunst toont die nu gemaakt wordt, maar het toont kunst die nu wordt beleefd. De Victory is voor mij veel hedendaagser dan duizenden kunstwerken die op dit moment gemaakt worden, gewoon omdat het zo'n schitterend schilderij is.'

Was dat ook de reden om de Victory bij aankoop met de Nachtwacht en de Guernica te vergelijken?

“Toen ben ik verkeerd begrepen.

Geen haar op mijn hoofd die de Victory zou willen vergelijken met de Nachtwacht - de Victory is veel mooier, zoals Fuchs ook al heeft gezegd. Waar het me om ging was dat er een categorie schilderijen bestaat die een roem hebben die veel verder gaat dan wat ze letterlijk vertegenwoordigen. Noem het de `koektrommelschilderijen'. Dat zijn niet per se de mooiste: de Staalmeesters van Rembrandt is bijvoorbeeld veel mooier dan de Nachtwacht, maar de Nachtwacht is beroemder. Ik vind de Victory ook niet de mooiste Mondriaan: in het museum in Winterthur hangt er een die veel mooier is. Maar de Victory heeft een speciale magie.'

Verwacht u dat er veel mensen op de Victory zullen afkomen?

“Dat durf ik niet te zeggen. Het mag dan een meesterwerk zijn, zo'n status garandeert geen drommen bezoekers. Het gezicht op Delft van Vermeer hoort zeker in de bovengenoemde categorie, maar als je naar het Mauritshuis gaat kun je altijd rustig gaan zitten om er naar te kijken.'

Denkt u sowieso na over het publiek dat u wilt trekken?

“Ik denk daar eerlijk gezegd nooit over na. Het publiek dat geinteresseerd is komt vast wel. Wij hebben hier zo'n eigenzinnige collectie, met de Mondriaans, met Toorop en Weisenbruch, met islamitisch keramiek, met mode, met oude clavecimbels - mensen die dat willen zien moeten hier wel naartoe, want dat hebben ze nergens anders. Ik begrijp wel dat het moeilijk is daarmee te adverteren en publiek te lokken, maar dat is dan jammer. Dit is nu eenmaal geen eenvoudig museum - het gebouw is stug, de collectie is niet eenvoudig te beschrijven, als conservator loop je hier al snel met je kop tegen de muur. Maar daar hebben we voor gekozen. Wij willen een ingewikkeld museum zijn.'