Grootse kleine momenten

Een biografie in fragmenten maakt Rita Verschuur, een `dagboek achteraf'. Flarden tekst vertegenwoordigen het meisje dat zij ooit was. Een meisje dat de oorlog zag komen, de scheiding van haar ouders en twee nieuwe halfbroertjes.

Aanleiding voor Verschuurs schetsen uit haar leven als kind waren meestal praktische dingen. Vier boeken al schreef ze vol over het doen van een spelletje op straat, de logeerpartij van een Zweeds vriendinnetje, het vinden van bijzondere steentjes of het horen van onbekende woorden.

En dan is er nu Jubeltenen, het vijfde boek met memoires. Helder geschreven als steeds, geestig en verrassend en toch: het haalt het niet bij de eerdere boeken.Jubeltenen overtuigt minder. De toon lijkt minder authentiek. Waar Rita Verschuur eerder allerlei verschillende aanleidinkjes zocht om haar negen a tienjarige ik mee te portretteren is er nu een aanleiding. Een tekenwedstrijd op school.

Het is 1947 en de hele klas maakt een tekening met als thema `bevrijding'. Rita wil iets vrolijks tekenen, `vlaggen en wimpels en oranje bloemen, juichende mensen die met wapperende lakens door de straat rennen, wittebrood dat uit de hemel komt vallen, tanks vol Canadezen.' Maar het wordt een straat in de hongerwinter. Een Duitser schiet een fietser neer, een ruit is kapot, etalages zijn leeg, er rijdt een kar vol suikerbieten. Temidden van dit alles staat Rita's vader met een takkenbos op zijn rug. In zijn schoenen steken zijn grote tenen omhoog. Jubeltenen zijn het: `De vrede is in aantocht, zeggen ze.'

Op mij komt dit een beetje bedacht over alsof iemand vijf jaar lang hoopvol naar een rij vadertenen gaat zitten staren. Als Rita vervolgens goed op dreef raakt met haar mijmeringen over de tekenwedstrijd, klinkt wat ze denkt net iets te volwassen en te verantwoord. Over wedstrijden, meedoen om te winnen, kunst en kitsch, naar de werkelijkheid tekenen of die werkelijkheid interpreteren gaat het. Verschuur verzandt overigens niet in moeilijke woorden en uitdrukkingen en dat is een grote verdienste van Jubeltenen.

Maar Rita's observaties zijn ineens een beetje bravig. `Lia kan alleen maar paarden tekenen en dan ook nog alleen van opzij, met het hoofd naar links. [-] Iedereen is altijd gek van Lia's paard dat naar links geloppeert.

[-] Er zijn andere kinderen die steeds weer nieuwe dingen proberen te tekenen [-] En als zo'n kind nou toevallig op de wedstrijdtekening een paard zou tekenen, zou dat natuurlijk niet even goed lukken als bij Lia. En op die ene tekening is niet te zien hoeveel dat kind verder nog kan.' Het brave schuilt vooral in dat laatste, overbodige zinnetje.

Vervolgens denkt Rita aan de tekening vol slordige schaatsers van klasgenoot Pim. Een `grote bende' is het, slecht ingekleurde poppetjes die af en toe een arm missen. `Pim zei tegen mij dat ik er niet zo met mijn neus bovenop moest gaan staan. Achteruit, nog een stapje, nog een... en toen gebeurde er iets raars! Die tekening veranderde in een heel leuk schilderijtje.' Verschuur klinkt een beetje truttig in haar nieuwe boek, als een volwassene die voor kinderen over kunst schrijft. Zinnen als `Gedachten, dat zijn rare kwibussen', zitten de geloofwaardigheid van Jubeltenen in de weg.

Verschuur heeft haar speelse geest aan banden gelegd door ditmaal te kiezen voor een onderwerp waar ze alle gedachten van haar jonge alter ego omheen laat cirkelen. Zo raakt ze weg van de razend knappe hak-op-de-tak-stijl die de eerdere boeken over haar kinderjaren zo geloofwaardig maakte.

Gelukkig kent ook dit nieuwe boek weer grootse kleine momenten. Als Rita ophoudt met peinzen over wat waarom een goede tekening is en focust op de prijsuitreiking, wordt het boek meeslepender. Wat draagt een prijswinnares eigenlijk? Mag je andere deelnemers aan de wedstrijd dood wensen? En wat is erger: een strontje op je oog en de prijs, of geen strontje en geen prijs? `Het ergste is natuurlijk wel een strontje en geen prijs.'