Eén van de mooiste passages die ik mij van Dantes ...

Eén van de mooiste passages die ik mij van Dantes Divina Commedia herinner is de ontmoeting met Francesca uit Rimini. Dante is nog maar koud in de hel afgedaald, in de tweede kring waar wervelwinden de schimmen van zondaars van het vlees als herfstbladeren door het donker jagen, of daar ziet hij een jonge vrouw. Klappertandend van angst hoort hij haar verhaal aan. Zij las eens, samen met een man gebogen over een boek, hoe een geliefde glimlachte. Ze keken op van het boek en voor ze het wisten kusten ze elkaar. En dan besluit ze haar verhaal: quel giorno piú non vi leggemmo avante — aan verder lezen kwamen we die dag niet meer toe. Er staat niets en je weet als lezer dat alles gebeurd is. Zo schrijft een dichter. Francesca's relaas ontroert bovendien, omdat we van deze liefde horen temidden van de gruwelijke en eeuwigdurende straf die erop is gevolgd. Dante valt dan ook in katzwijm.

Christine D'haen: Dodecaëder. Dantis meditatio. Querido, één band, 19 resp. 36 blz. ƒ35,—

De nieuwe dichtbundel van Christine D'haen bestaat voor de helft uit een commentaar op de Commedia. Al gauw stuitte ik op het vijfde Canto, een kwatrijn met als titel `De tweede kring. Francesca': `De glimlach van mijn mond bond het lichaam van die man/ aan 't mijne. Hoe konden wij anders leven dan/ aaneengeklonken? Opperst goed, te midden van/ snijdende driftwind die ons niet doorsnijden kan.'

D'haen roert hier niet het moment aan waarop een liefdesgeschiedenis de sluimerende hartstocht van een lezend stel doet ontbranden, noch Dantes meesterzet waarmee hij juist door niks te zeggen een enorme vrijpartij oproept. Zij is eerder gefascineerd door de hechte band van liefde, die zelfs helse winden verdraagt. Die band klinkt door in het binnenrijm `mond/bond' (met nog eens midden in de regel een echo ervan op `kond-en', `klonken'/ `Opperst' en `ons'). De verbondenheid zit ook in het consequente eindrijm, in het begin van de binnenregels: `aan 't mijne' respectievelijk `aaneengeklonken' en — als ik niet te ver ga — in het feit dat de woorden met `snijden' in de laatste regel niet in het midden, maar aan de buitenkant van de regel staan, zodat het metaforisch mes aan de buitenkant afschampt.

Ik wil maar zeggen, D'haen besteedt de nodige zorg aan de vorm van haar gedichten. Toch kun je je afvragen, wat zij aan Dantes tekst toevoegt. In dit geval weinig, want die hartstocht was bij Dante verrassender opgeschreven. Ook in de rest van haar meditatio dringt deze gedachte zich op. Aangezien ik niet de hele commedia paraat heb, kwam daar flink wat zoekwerk bij. Nu is Dante lezen bepaald geen kwelling, alleen laat dit onverlet dat D'haens gedichten het hier nauwelijks zelf afkunnen. En dan heb ik, met Dantes regels ernaast, soms nog geen idee waar het over gaat. Dat komt waarschijnlijk omdat deze bundel minder als tekstcommentaar is bedoeld dan op het eerste gezicht lijkt. Eerder vormen de gedichten een nieuwe proeve van wat onder literatuurwetenschappers en filosofen `intertekstualiteit' zou heten. Dat past ook meer in de traditie van D'haens werk, dat altijd al uitpuilt van klassieke wereldliteratuur.

Mythologische verwijzingen, bijbelse allusies, toespelingen op Hadewijch, Leopardi of Mallarmé: D'haen draait er haar hand niet voor om. Ik heb weinig bezwaar tegen zulke geleerdenpoëzie, maar complexiteit en belezenheid wekken ook niet meteen mijn bewondering. Gerrit Krol heeft eens op onnavolgbare wijze uitgelegd, wat hier het probleem is. Volgens hem is het makkelijker een moeilijk gedicht te schrijven dan een makkelijk. Het is een van de beste uitspraken over poëzie die ik ken. Want het gaat er niet om zoveel mogelijk in een gedicht te versleutelen. Dat is slechts een kwestie van geduldig prutsen, zonodig met de handboeken onder bereik. Juist de bevochten eenvoud — Luceberts `eenvouds verlichte waters' — geeft de lezer een ram voor zijn kop of laat haar onverwachts van haar stoel vallen.

Dat D'haen in haar geleerdenpoëzie de nodige zorg aan de vorm besteedt zou een voordeel moeten zijn. Maar het is overkill. Op het eind van Dantis meditatio draaien we het boek om en hebben we een andere bundel in onze hand: Dodecaëder. Die bestaat uit twaalf gedichten van twaalf regels die weer twaalf lettergrepen hebben. De gedichten verwijzen elk (op één na) naar een schilderij en bevatten behoofdletterde woorden als Tijd, God, Toeval, Niets en Geest. Elk gedicht heeft zijn eigen rijmschema.

Een dodecaëder is een twaalfvlak, waarvan in deze reeks de driedimensionaliteit wordt opgeroepen door die 12 x 12 x 12 lettergrepen. In de pythagoreïsche en platoonse traditie is het gewoon om getallen als ruimtelijke figuren te zien, met als simpelste vorm het kwadraat als vierkant. Aan figuren en getallen zijn allerhande spirituele betekenissen verbonden. Toevallig las ik eens, dat de dodecaëder met een beroep op Plato's Timaeus als het vijfde element, de quintessens werd opgevat, met niet-geringe consequenties voor de hermetische traditie in de Renaissance. Dat is denkelijk een aardig uitgangspunt voor een nadere analyse van D'haens twaalf gedichten. Wie heeft er zin?

Zes jaar geleden ontving Christine D'haen de Prijs der Nederlandse Letteren, de meest prestigieuze prijs van ons taalgebied. Past nu slechts eerbied? Je vindt in haar gedichten geen lekke band, wel het Noodlot, en eerder iets `van ouds, al-licht in hitte ontgloeid' dan een magnetron. Er schuilt een zekere provocatie in deze hooggestemde geleerdenpoëzie en dat bevalt me. Maar nergens zingt het en nooit werd ik verrast.