Een prijs voor Ulster

HET IS NIET eenvoudig om lid te zijn van het Comite dat jaarlijks de Nobelprijs voor de vrede verleent. Naar zijn aard gaat de prijs naar stichters van vrede. Een regering als de Costa-Ricaanse komt niet in aanmerking hoewel er in de wereld vermoedelijk geen vreedzamer bewind kan worden gevonden. Het land heeft niet eens een leger. Maar vrede stichten doe je doorgaans in een staat van oorlog, of, ten minste, van grove gewelddadigheid. De vrede wordt dan ook in dat soort situaties nogal eens afgedwongen met de wapenen, ook al geven in de laatste fase onderhandelingen en wederzijdse concessies de doorslag. Zo kregen in 1973 de onderhandelaars Kissinger en Le Duc Tho (de laatste weigerde) de prijs toegekend hoewel zeker Kissinger een beslissend aandeel had gehad in de oorlogvoering in Indochina. In 1994 ging de prijs naar Yasser Arafat en Shimon Peres. Een eerbetoon dat achteraf nogal voorbarig is gebleken.

Nu zijn dan de hoofdrolspelers in de Noord-Ierse tragedie aan de beurt. Hun pogingen een einde te maken aan de chronische, dertig jaar lang durende terreur die afwisselend de katholieke en protestantse bevolking trof, lijken succesvol te zijn. Hoewel de afgelopen zomer nog tal van erupties van gewelddadigheid te zien heeft gegeven. Het zou terecht zijn geweest als vertegenwoordigers van de Ierse, Amerikaanse en Britse regeringen met name waren genoemd. Vooral de regering-Blair heeft moed getoond toen zij erin slaagde de impasse die haar voorganger had achtergelaten te doorbreken. Maar de bemiddeling door president Clintons afgezant ex-senator Mitchell en de volhardende steun van de Ierse regering hebben Blair bovenmatig geholpen. Zo bezien is de vrede in Ulster een bewijs van wat internationale saamhorigheid vermag te bewerkstelligen zelfs in een emotioneel zwaar beladen sectarisch conflict als de Noord-Ierse troebelen in wezen toch waren.

MEER MOEITE ZOU men kunnen hebben met de aanwijzing van de protestantse leider David Trimble voor de vredesprijs. De man komt zeker de erkenning toe de afgelopen tijd baken te zijn geweest voor het meer verlichte deel van de protestantse achterban tegen de intimidatie van de `verkramptes' als dominee Paisley en consorten in. Maar Trimble is ook jarenlang, als een vooraanstaand deelnemer aan de provocerende Oranjemarsen, een van de leiders geweest van een unionistisch kamp dat van geen wijken wist. Pas onder druk van de omstandigheden is hij omgegaan. Het Oslose Comite heeft hem nu uitverkoren en daarmee andermaal onderstreept hoezeer de pragmatische kant van het vredestichten de jury aan het hart gebakken is.Geen probleem verder met de andere uitgekozene, John Hume, leider van de Social Democratic and Labour Party.

Hume is al die jaren een echte verzoener geweest, midden tussen de elkaar hatende volksdelen in. Hij was een verzamelpunt voor al die Noord-Ieren - nimmer een te verwaarlozen minderheid - die weinig op hadden met de scherpslijpers in hun provincie. In Hume wordt eigenlijk heel Ulster geeerd. En, zo men wil, de leiders van buiten die zo een belangrijk aandeel hebben gehad in de doorbraak naar vrede.