Een man kan altijd meevallen; Vondels treurspel `Jeptha' leidt tot een eigentijds versdrama

De bijbelse legeraanvoerder Jefta beloofde als dank voor de overwinning het eerste wat hem bij thuiskomst tegemoet kwam te zullen offeren. Het werd zijn dochter. Dit drama is al vaak tot toneel of opera gemaakt. Benno Barnard geeft er nu een heel eigen draai aan.

Het bijbelboek Richteren verhaalt vanaf hoofdstuk 10 vers 6 tot hoofdstuk 12 vers 8 over de Gileadiet Jefta. Hij was een dappere held maar, zo zegt de Schrift, de zoon van een hoer. Noch het feit dat hij de Ammonieten versloeg, noch ook zijn succesvolle veldtocht tegen de Efraimieten spreekt tot de verbeelding. Voor hij echter de Ammonieten aanpakt, doet hij een gelofte. Het eerste wat hem, mocht hij levend terugkeren van zijn veldtocht tegen de Ammonieten, uit zijn huis tegemoet komt, zal hij als brandoffer aan God brengen.

Welnu, bij zijn terugkeer komt zijn dochter hem `met tamboerijen en reidansen tegemoet'. Daarop verscheurt Jefta zijn kleren. Niettemin: de gelofte is gedaan, hij moet zich eraan houden. Zijn dochter protesteert niet, zij vraagt alleen of zij, voordat een en ander zijn beslag zal krijgen, twee maanden in de bergen met haar vriendinnen haar maagdom mag bewenen. Dat wordt toegestaan. `Na de twee maanden,' zegt het Woord sober, `keerde zij naar haar vader terug en deze voltrok aan haar de gelofte, welke hij gedaan had.'

De beknopte, trefzekere wijze waarop het verhaal in de bijbel verteld wordt, laat mijns inziens nauwelijks ruimte voor bewerking. Al wat je eraan toevoegt, verzwakt het afschuwelijke verhaal. De dochter heeft geen naam, over een moeder wordt niet gerept, en of Jefta wellicht toch geaarzeld heeft om zijn gelofte te vervullen - wij horen er niets over. In alle bewerkingen - opera's, toneelstukken, romans, oratoria - krijgt de dochter steevast een naam, verschijnt haar treurende moeder op het toneel, en wordt Jefta omringd door priesters en bedienden die hem van zijn gelofte proberen af te brengen. Omdat bij het drama de eenheid van tijd, plaats en handeling gold, deed zich indertijd ook het probleem voor: wanneer laat ik in mijn bewerking zich deze geschiedenis afspelen? Op het moment dat Jefta zijn gelofte doet? Of na die twee maanden, als de maagd uit de bergen terugkeert? De bewerkers kiezen voorzover ik heb kunnen nagaan (want van de opera's Jephte van Monteclair en Jephta's Tochter van Meyerbeer ken ik het libretto niet) voor de laatste mogelijkheid, en vertellen dan en passant dat Jefta twee maanden eerder zijn gelofte deed.

Takkewijf

Het eigenaardige is dat mij geen bewerkingen van dit verhaal bekend zijn waarin de simpele vraag gesteld wordt waarom Jefta het eerste wat hem uit zijn huis tegemoet komt tot brandoffer wil bestemmen. Hij had toch op zijn vingers kunnen uittellen dat er een buitengewoon grote kans was dat het zijn dochter zou zijn. Mijn vader zei altijd: “Die Jefta wilde van zijn vrouw af hij dacht: dat takkewijf is de eerste die mij tegemoet zal komen - dat komt best uit.' Maar in het bijbelverhaal wordt over een echtgenote van Jefta niet gerept. Omdat het er de schijn van heeft dat Jefta alleen een dochter bezit, lijkt het verbazingwekkend stupide om zo'n gelofte af te leggen. Dit temeer daar de God van het Oude Testament, hoe ongelofelijk wreed, barbaars en misdadig zijn optreden doorgaans ook is, nooit mensenoffers verlangt. Terecht zegt een wetgeleerde in Vondels treurspel Jeptha of offerbelofte (1659): “En wilt gy, tegen Godt en zijne wet, en uitgedruckt verbodt, haar offeren? wat plaegh verruckt uw zinnen!' Jefta beroept zich in reactie daarop op het verhaal van Abraham die op Gods bevel zijn zoon moest offeren. Waarop de wetgeleerde weer zegt: “De Godtheit zagh met haer genadigh oogh Dit aen, verboodt by tyts den zoon te dooden.'

Op het moment dat Jefta zijn dochter wil offeren wordt in het gelijknamige oratorium van Handel, dat de componist op het eind van zijn leven vervaardigde, naar analogie van het verhaal over Abraham en Izaak, door een engel op het laatste moment de fatale handeling voorkomen. In dat oratorium heet de dochter overigens Iphis. Het is alsof vast staat dat zij zo geheten moet hebben, want ook bij Vondel heet zij Ifis. Of is die naam afkomstig uit het stuk Iphigeneia in Aulis van Euripides? Ook dat is zo'n bar verhaal over Iphigeneia die door haar vader geofferd moest worden om een gunstige wind af te dwingen.

In Vondels Jeptha of offerbelofte - een stuk dat nog steeds goed leesbaar is - wordt de maagd wel degelijk omgebracht. Daar treedt geen engel op om voor een happy end te zorgen zoals bij Handel. Vondel gebruikt twee trucs om het drama, waarvan de afloop in principe natuurlijk bekend is spannend te houden. De eerste is dat de vrouw van Jefta niet op de hoogte blijkt van de gelofte en dus met een sluwe list uit de buurt moet worden gehouden als de dochter, teruggekeerd uit de bergen, door Jefta omgebracht wordt. Vondel laat de arme vrouw, daartoe aangezet door een bediende Jefta na zijn overwinning op Efraim tegemoet gaan. Jefta keert ondertussen slinks naar huis terug en daardoor komt Jefta's vrouw pas weer te voorschijn als de dochter reeds geofferd is. Het vijfde en laatste bedrijf van zijn treurspel handelt vervolgens voornamelijk over haar smart.

De tweede truc die Vondel gebruikt om zijn drama lengte en body te geven is de spannende discussie van Jefta met een wetgeleerde en een bediende. De twee laatsten proberen Jefta ervan te overtuigen dat hij een gruwelijke, onwettige gelofte heeft gedaan en ervan af moet zien om zijn dochter te offeren.

Eigentijds

Aanvankelijk was, als ik het goed begrijp de bedoeling dat Benno Barnard een bewerking zou maken van Vondels treurspel. Deze bewerking is echter uitgegroeid tot `een eigentijds versdrama in vijfvoetige jamben': Jefta of Semitische liefdes. Toch heeft Barnard nog veel van wat we bij Vondel vinden gehandhaafd: de namen, de truc om de vrouw van Jefta af te voeren door haar Jefta tegemoet te laten gaan, en het woedende verdriet van de vrouw van Jefta in het laatste bedrijf. Wat Barnard veranderde, tornt echter wel aan de essentie van het verhaal.

Jefta doet geen offergelofte. In plaats daarvan belooft hij in deze bewerking dat hij het eerste meisje dat hem bij thuiskomst tegemoet zal komen, als overwinningspremie zal geven aan Tariq, de militaire adviseur van Jefta.

Of het drama daardoor eigentijdser wordt, lijkt me de vraag. Het is tegenwoordig minstens zo ongebruikelijk om dochters uit te loven als overwinningspremie als om ze te offeren. Maar goed, de winst van deze verandering is dat Barnard daardoor, en door het feit dat hij de bediende uit het spel van Vondel verliefd laat zijn op de dochter van Jefta, spannende, dramatische dialogen tussen Tariq en de bediende kan optekenen, alsmede spannende dialogen tussen Jefta en de bediende en Jefta en Tariq. Bovendien voert ook Barnard een `wetsgeleerde' in, waardoor er nog meer mogelijkheden van interaktie zijn. Het verlies echter van deze verandering is dat aan het drama een reuze pijnlijk dilemma ontvalt.

Akkoord, het is natuurlijk ook weinig aantrekkelijk om uitgehuwelijkt te worden aan een man die je niet bevalt maar zoiets kan (zeker als we hier inderdaad met een eigentijds drama te doen hebben) door scheiding weer ongedaan gemaakt worden. Bovendien kan zo'n man altijd meevallen. Dus zo heel erg hoeft zo'n geforceerd huwelijk niet te zijn. Het lijkt mij hier niet de plaats om te onthullen hoe Barnard desondanks toch voor echt drama weet te zorgen. Laat ik volstaan met te zeggen dat hij dat vernuftig en trefzeker heeft gedaan. Zijn bewerking is mooi van taal, levendig, dramatisch, niet zelden ook geestig en ongetwijfeld, vergeleken met Vondel's Jepthta, heel wat voortvarender. Reuze boeiend is dat hij in het stuk zo aardig omspringt met het begrip tijd, en zelfs even Einstein erbij weet te halen.

De spielerei culmineert in het geheimzinnige rijmpje: “De klok heeft tweemaal daags gelijk wanneer ik in jouw ogen kijk.' Zinspeelt de spreker op het feit dat de tijd stilstaat als hij in de meisjesogen kijkt, naar analogie van het feit dat een klok die stilstaat tweemaal per dag de juiste tijd aangeeft?

Wat me ook aansprak in deze bewerking is Barnard's gebruik van het rijm. Onverwacht opduikend, vaak vermakelijk, en soms heel mooi. Geestig om `jeep' op `sliep' te laten rijmen!

In het eerste bedrijf citeert Barnard acht versregels uit het treurspel van Vondel. Als de vrouw van Jefta aan haar hofmeester vraagt: “Waaruit citeerde u?' zegt de hofmeester: “Dat was, Madame, uit Flavius Jospehus, De Joodse Oorlog.' Wat Barnard daar beoogt is mij niet duidelijk. Een knipoog naar de lezer resp. de toeschouwer die wel beter weet? Maar wie weet nog dat deze regels uit Vondel afkomstig zijn?

Hoe dan ook: Jefta of Semitische liefdes is een stoutmoedige, gedurfde, geslaagde bewerking van het verhaal over de dochter van Jefta. Hier spreek ik natuurlijk als lezer van het stuk. Of het stuk het op toneel goed doet, weet ik niet, maar mij lijkt dat heel waarschijnlijk.