Een dichter opgezocht in zijn taal; Monument voor Herman de Coninck

De Vlaamse dichter en essayist Herman de Coninck schreef ooit dat je de mensheid in twee categorieen kunt verdelen: degenen die met de dood te maken hebben gekregen en de anderen. Het was een opmerking die zijn echtgenote, de schrijfster Kristien Hemmerechts, ergerde. Niet omdat ze het er niet mee eens was, maar omdat het een uitspraak van haar was, dacht ze.

Later besloten ze dat ze het samen hadden bedacht tijdens een gesprek over de dood, want daar hadden ze het vaak over. De Coninck verloor zijn eerste vrouw An toen hij 27 was, Hemmerechts werd nog zwaarder bezocht. Twee zoontjes uit een eerder huwelijk stierven de wiegedood.

Vorig jaar mei overleed Herman de Coninck, de man die Hemmerechts leerde over de dood van haar kinderen te schrijven en aan wie ze nog zoveel meer ontleende. Onderweg naar een literaire manifestatie in Lissabon, kreeg de dichter in aanwezigheid van Vlaamse en Nederlandse collega's midden op straat een hartaanval waar hij - bijgestaan door de dichteres Anna Enquist - ter plekke in bleef. Een kwartier eerder had zijn vrouw nog een vrolijke fax van hem gelezen die hij 's nachts had verstuurd: `Het is hier leuk en de mensen zijn aardig - maar ik mis je. Ik heb hier niemand om ``weet je nog...' tegen te zeggen.'

`Niemand om ``weet je nog ...' tegen te zeggen', zou de titel geweest kunnen zijn van het boek waarin Hemmerechts ruim een jaar later haar man herdenkt. Maar dat is niet haar stijl. Ze schrijft niet in de eerste plaats over haar liefde, haar verdriet en haar gemis maar over de mens en dichter, die alleen al door zijn werk ook vele anderen toebehoorde.

Het ligt voor de hand Taal zonder mij te vergelijken met Conny Palmens I.M., temeer daar Hemmerechts die parallel zelf ook trekt: `Het weduwenboek was al geschreven, waarom zou ik het overdoen?', merkt ze op naar aanleiding van I.M.. Maar als dit in memoriam voor Herman de Coninck een kwalificatie niet verdient, is het die van weduwenboek. De titel Taal zonder mij heeft ze ontleend aan een gedicht van De Coninck en het hele boek is een poging hem in zijn taal op te zoeken en te behouden. Dat doet ze niet alleen voor zichzelf, haar dochter en zijn twee kinderen (het drietal waaraan het boek is opgedragen), maar ook voor ons, zijn lezers. Waar Palmen het verwijt is gemaakt dat zij zich het leven van Ischa Meijer postuum toe-eigende, wil Hemmerechts relevante levensfeiten van De Coninck die zij wellicht als enige kent, delen met anderen.

Ze doet dat met schroom, zonder exhibitionisme, voortdurend slingerend `tussen de behoefte om te spreken en het verlangen om te zwijgen, om door stilte mijn herinnering aan hem, mijn Herman, intact te laten.'

Gezwegen wordt er veel in dit boek: niet over de betekenis van Herman de Coninck als dichter, essayist, redacteur , vriend en geliefde, maar des te meer over de gevoelens van de weduwe. Hemmerechts kiest ervoor haar rol in het leven van de bewonderde echtgenoot zo veel mogelijk te relativeren en dat is het grootste verschil met I.M.. `Ik heb Herman slechts negen jaar en drie maanden gekend. Een goed zesde van zijn leven. We zijn iets meer dan vijf jaar getrouwd geweest. Een papieren of kartonnen bruiloft, ik weet het niet precies. Papieren lijkt mij het toepasselijkst.'

In het leven van haar man hebben meer vrouwen betekenis gehad. Hemmerechts geeft hun een plaats, steeds met De Conincks poezie als uitgangspunt poezie die volgens haar `soms schaamteloos autobiografisch (is)'. Pijnlijke, maar tegelijkertijd prachtige strofen, gewijd aan zijn moeder (en vader), citeert ze, om die vervolgens met behulp van nooit eerder gepubliceerde feiten van een context te voorzien. Hetzelfde procede past ze toe op de gedichten over de dood van An. Al ver voordat ze De Coninck persoonlijk kende, huilde ze om eengedicht uit Zolang er sneeuw ligt:

ik denk: sluit nu maar

je ogen, kom, ik zal je helpen -

Na de dood van haar kinderen, jaren voor ze De Coninck ontmoette, sloop ze soms naar haar boekenkast om een paar regels te lezen uit dit vers, waarin ze een waarheid vond, `te groot en te diep om zomaar te worden opgeschreven'. Nu hij dood is, lijkt het alsof de betekenis van de woorden pas goed tot haar doordringt.

An (doodgereden door een dronken automobilist) mocht sterven van hem, zoals Herman mocht sterven van haar. Aan dit inzicht wijdt Hemmerechts de mooiste passages van haar voortdurend ingetogen en steeds ontroerende boek.

Herman de Coninck kettingroker, alcohol-liefhebber en notoire nachtbraker was niet bepaald een gezondheidsmaniak, maar na een `gulzig en baldadig leven' gunde zij hem `het mogen sterven, het mogen liggen, het niets meer, nooit meer moeten'. Op basis van onder andere het gedicht `Te voet over de Lethe' uit De hectaren van het geheugen maakt ze aannemelijk dat hij haar goedkeuring uitdrukkelijk verlangde:

En toen schiep hij twee ogen. -

Opdat ze hem zou zien terwijl hij stierf.

Opdat hij eindelijk zou mogen.

Hij wilde toestemming, schrijft ze, van de laatste vrouw in zijn leven. `De vrouw in wier armen hij stierf. De vrouw van wie hij mocht.' En dan volgt een sleutelpassage: `Ik was die vrouw en ik was die vrouw niet. In letterlijke zin was ik niet die vrouw. Ik heb zijn hand niet vastgehouden, zijn ogen niet gesloten. Maar ik denk dat ik hem op het einde van zijn leven de toestemming heb gegeven om niet naar een dokter te gaan, om zich niet te laten verzorgen, om niet gezonder te gaan leven. Ik denk dat hij van mij heeft gemogen'.

Het klinkt allemaal `afgeronder', `verwerkter' dan mogelijk is. Over de ravage die de dood in haar gemoed moet hebben aangericht laat ze zich alleen zijdelings uit. Bijvoorbeeld als ze Hermans reactie beschrijft op Ans dood waartegen hij `geen verhaal' had, alleen maar schuldgevoel over de onvolmaaktheid van zijn liefde en van zijn rouw. Achteraf, zegt Hemmerechts, wist hij hoe hij van haar had moeten houden, en hoe hij om haar had moeten treuren.

Maar direct erna blokkeerde er iets in hem. `Eerst moest hij op papier gaan ontdekken wat hij voelde.'

Ongeveer zo is het vermoedelijk gesteld met zijn weduwe die precies om die reden geen `weduwenboek' wilde schrijven. Wat zij doormaakt en heeft doorgemaakt zal ze ongetwijfeld nog gaan ontdekken in romans of verhalen. Dit boek is niet de fictie die ze daarvoor nodig heeft en zij wringt zich - om de onvermijdelijke vergelijking met I.M. nog maar een keer te maken - niet in allerlei bochten om wat ze schrijft voor fictie te laten doorgaan. Wat het dan wel is? Zelf noemt ze het, bescheiden weggemoffeld in een bijzinnetje, de autobiografie die Herman vaagweg plande, maar die zij als zijn `inadequate ghostwriter' heeft geschreven. Dat inadequaat had ze weg mogen laten. Natuurlijk, De Coninck zou het anders gedaan hebben, maar zeker niet beter. Monumentaal is een al te voor de hand liggende kwalificatie voor dit boek, dat nu eenmaal een monument voor De Coninck beoogt te zijn. Het is meer dan een eerbetoon voor een geliefde en dichter: een integer werk van een gevoelige en sterke schrijfster.