De versmelting van vorm en vent; Hitler-biografie: een synthese

Nu allerwegen de balans wordt opgemaakt dient Hitler zich onweerstaanbaar aan als de belangrijkste historische figuur van de korte twintigste eeuw (1914-1991). De gevolgen van zijn greep naar de macht zijn ingrijpend geweest. Zoals Sebastian Haffner in zijn Anmerkungen zu Hitler schreef: zonder Hitler geen deling van Europa, geen dekolonisatie of een minder snelle, geen staat Israel en geen Midden-Oostenconflict. Zijn schaduw reikt tot in onze dagen. Een recent overzicht van Hitler-studies telt maar liefst 120.000 titels.

En dan is er nu een vermetele poging om het meest wezenlijke van al dat onderzoek bijeen te brengen in een omvangrijke nieuwe biografie. De Britse historicus Ian Kershaw, die reeds verschillende studies naar het Derde Rijk en Hitler op zijn naam heeft, werkte vanaf 1989 aan dit project. Het eerste deel Hitler 1889-1936. Hubris eindigt bij de remilitarisering van het Rijnland in 1936, een moment van grote triomf voor Hitler. Het tweede deel Nemesis verschijnt voorjaar 2000.

Opzienbarende nieuwe gegevens over Hitler moet de lezer niet verwachten, daarvoor is zijn leven in al die jaren te zeer uitgebeend en nageplozen. Wel is Kershaw de eerste die de volledige tekst heeft verwerkt van de dagboeken van Goebbels, die zijn aangetroffen in Moskouse archieven. Verder maakt hij als eerste gebruik van de omvattende publicatie van Hitlers redevoeringen voor 1933. Tegelijk verwerpt Kershaw bijvoorbeeld Rauschnings Gesprache mit Hitler, een bron die door andere biografen groot belang werd toegedicht maar door hem als onwaarachtig wordt beoordeeld.

Naast een synthese en verwerking van veel recent onderzoek, rechtvaardigt Kershaw zijn onderneming vooral door een nieuwe interpretatie van Hitlers leven en werken.

Zijn ambitie wordt duidelijk in de markering die hij zoekt ten opzichte van de twee belangrijkste biografieen tot nu toe: Hitler: a study in tyranny van Alan Bullock (1952) en Hitler van Joachim Fest (1973). Beide typeert hij ietwat eenzijdig om zo zijn eigen positie beter te laten uitkomen.

Fest worstelde met de vraag of we iemand, die zo'n enorm spoor in de geschiedenis heeft getrokken, het predikaat `historische grootte' kunnen ontzeggen. Fest dacht van niet. Enigszins aarzelend sprak hij in zijn biografie over `ein Element historischer Grosse', elders toonde hij minder reserve.

Het tekent Kershaws benadering dat hij deze vraag naar de historische grootte van Hitler verwerpt als `misplaatst irrelevant en potentieel apologetisch'. Theorieen over `historische grootte' personaliseren de geschiedenis in een extreme mate, ze verklaren weinig en zijn uiteindelijk gebaseerd op subjectieve morele en esthetische voorkeuren die op niets uitlopen.

Kershaw verplaatst de aandacht resoluut van Hitlers persoonlijkheid naar de `aard van zijn macht, naar de macht van de Fuhrer'. Hitler, de `man zonder eigenschappen', was geen buitengewone persoonlijkheid. Kerhaw schrijft dan ook niet zozeer de geschiedenis van een individuele wil maar van een collectieve zwakte. Hij schrijft niet het verhaal van een gestoorde persoonlijkheid, maar van een getraumatiseerde samenleving, waarin vele burgers zich wanhopig vastklampen aan een `redder van het vaderland'.

Het is bijna een omkering binnen het genre van de biografie, waarin onontkoombaar de held wordt uitgetild boven de omstandigheden en zo wordt uitvergroot. Kershaw wil Hitler tot zijn ware omvang terugbrengen en vast in zijn tijd en omgeving verankeren.

Hij eindigt de inleiding met een typerende conclusie: `De aanval van de Nazi's op de wortels van de beschaving is tot een wezenlijk kenmerk van de twintigste eeuw geworden. Hitler vormde het brandpunt van deze aanval. Hij was er de belangrijkste exponent van maar niet de voornaamste oorzaak'.

Machtsontplooiing

In deze formuleringen wordt zichtbaar hoe moeilijk het is om de kloof tussen biografie en sociale geschiedschrijving te overbruggen. Kershaws afkeer van psychologische verklaringen en zijn nadruk op de machtsontplooiing van Hitler leidt er toe dat Hitler als persoon misschien wat mager wordt getypeerd. Daartoe kan men nog steeds beter terecht bij de meer literaire biografie van Fest. Toch komen we wel wat aan de weet over Hitlers nachtbrakerij en zijn grote emotionele ups en downs. Na de mislukte putsch en ook na de dood van zijn nicht Geli Raubal met wie hij een verhouding had, werden in zijn omgeving zijn toespelingen op zelfmoord serieus genomen.

Kershaws manier van kijken, die wordt geschraagd door een sobere stijl en een zeer terughoudend gebruik van bronnen, is een nuttige correctie op veel speculaties over het raadsel-Hitler. Hoe kon uitgerekend iemand die tot zijn dertigste een ledigganger was zo'n wereldhistorische rol gaan spelen? Deze ongelijksoortigheid van oorzaak en gevolg heeft velen tot de meest wilde duidingen gebracht: men wilde Hitlers persoonlijkheid op gelijke hoogte met zijn werking brengen. Velen zijn op zoek gegaan naar de zwarte doos met de vluchtgegevens van de Fuhrer en hebben die bij gebrek aan dwingend bewijsmateriaal zelf maar gevuld. Kershaw rekent bijvoorbeeld definitief af met gissingen over een mogelijk joodse grootvader van Hitler, die bij gevolg de `jood in zichzelf' zou hebben gehaat.

Hoewel bij Kershaw de machtsuitoefening van Hitler voorop staat, zet hij zich ook af tegen Bullock die eenzelfde uitgangspunt koos. Hij wil niet in de valkuil van Bullock terecht komen, die Hitler ontmaskerde als een berekenende machtspoliticus en niets meer dan dat. Befaamd is diens typering uit 1952: `an opportunist entirely without principle', `cynical and calculating' en `Hitler constantly excalted force over the power of ideas'. Dit veroorzaakte begin jaren vijftig een schok omdat zo werd afgerekend met het bezeten en demonische beeld van Hitler dat hem buiten de geschiedenis plaatste en op een welhaast geruststellende manier ontoerekeningsvatbaar verklaarde. Maar het gevolg was wel dat Bullock het anti-semitisme van Hitler louter een instrumentele rol toe bedeelde en zijn wereldbeschouwing eigenlijk niet serieus nam. En dat wil Kershaw nu juist wel doen. Hitlers opvattingen, zijn anti-semitisme voorop, doen heel erg ter zake en Mein Kampf is een waardevolle bron, ook al moet het zelfportret van Hitler als eenling die tegen alle tegenslag in zijn weg vervolgt als een bewuste stilering worden gezien.

Kershaw kiest een duidelijke positie in het debat over de datering van Hitlers antisemitisme en de verdichting daarvan tot een wereldbeeld. Zijn jaren in Wenen hebben zeker een belangrijke invloed op zijn antisemitisme. Maar in Munchen, na het einde van de Eerste Wereldoorlog, vindt de vorming van zijn wereldbeeld plaats. Kershaw is duidelijk en overtuigend in zijn oordeel. De oorlog verlost Hitler uit zijn anonimiteit. De ervaring van de nationale vernedering in 1918 maakt Hitler mogelijk. Fest zegt dat mooier. De oorlog waarin Hitler tweemaal wordt gedecoreerd - het ijzeren kruis eerste klasse is zelfs uitzonderlijk voor een korporaal - gaf de Oostenrijker Hitler een `hoheres Heimatrecht'.

Dat blijkt later zijn redding als hij om die reden na de putsch van 1923 niet het land wordt uitgezet.

Tussen 1919 en 1924, als hij het eerste deel van Mein Kampf in de gevangenis schrijft, komen de wezenlijke elementen van zijn darwinistische wereldbeeld bijeen: de belofte van nationale vitalisering na het `verraad' van november 1918, het doel van een verovering van `Lebensraum' in het Oosten en de weg daarheen door een `vernietiging' van het marxisme en het jodendom.

Kershaw zet zich duidelijk af tegen de Duitse historicus Nolte die Hitlers antisemitisme en genocidale politiek vooral als een reactie op de dreiging van het bolsjevisme verklaarde. Dat kan niet, want Hitlers antisemitisme is van een eerdere datum. Maar tegelijk wordt uit zijn studie wel duidelijk hoezeer de angst voor datzelfde bolsjevisme van betekenis is geweest voor de macht van Hitler. Dat valt ook af te lezen aan de toespraken van Hitler in de jaren voor de machtsovername: het antisemitisme treedt naar de achtergrond en de `vernietiging van het marxisme' wordt steeds overheersender.

Net als Bullock verwijst Kershaw naar het begrip `charismatisch leiderschap' van Weber om Hitlers machtsuitoefening te omschrijven. Op zichzelf verklaart dat niet veel, want de vraag blijft waaraan Hitler die buitengewone werking op zijn publiek te danken had. Zeker is dat de ontdekking van Hitlers retorische talent door zijn commandant Karl Mayr - die hem in het voorjaar van 1919 inzet om de troepen in Beieren, na de kortstondige radenrepubliek, te heropvoeden en te `nationaliseren' - het begin van Hitlers publieke leven is. Eindelijk een doel voor ogen en eindelijk de werking waar hij zo naar had verlangd. Mayr claimt ook dat hij Hitler heeft aangezet om lid te worden van de Deutsche Arbeiter Partei, de voorloper van de NSDAP.

Genoeg reden voor Kershaw om te concluderen dat de politiek Hitler heeft opgezocht en niet omgekeerd.

Fuhrer-cultus

Kershaw neemt de Fuhrer-cultus die langzaam rondom Hitler wordt gesponnen buitengewoon serieus. De vorm gaat voor de vent zou men kunnen zeggen. Of beter: de vent gaat langzaam maar zeker op in de vorm. De persoonsverheerlijking is minstens evenzeer het werk van zijn omgeving als van Hitler zelf. Kershaw situeert de omslag bij Hitler waarin deze zichzelf niet meer louter als propagandist maar als leider en later als missionaire figuur gaat zien, tijdens diens gevangenschap in Landsberg am Lech na de mislukte putsch. Hij wordt dan bewierookt als martelaar van de volkische beweging. Zijn omgeving merkt een langzame verandering in zijn houding. Het voorbeeld van Mussolini speelt daarbij een belangrijke rol. Hitler koesterde diens buste in zijn werkkamer, ook als hij al kanselier is.

Maar de cultus rond Hitler die later duizelingwekkende vormen aanneemt met de geensceneerde partijbijeenkomsten in Neurenberg is evenzeer geboren uit noodzaak om de versplinterde extreem-rechtse beweging bijeen te houden. Zonder Hitlers redenaarstalent is de beweging niet veel. De vereenzelviging van `partij, idee en leider' wordt, nadat Hitler uit de gevangenis komt, ook door zijn omgeving gestimuleerd. Het Heil Hitler, al vanaf 1923 in zwang, wordt in 1926 binnen de partij verplicht gesteld. De cultus is deels zelfbegoocheling deels berekening, en maakt het de NSDAP mogelijk om te overleven in de electorale wildernis die tot de economische neergang in 1929 duurt.

De eigenlijke vraag is niet waarom de democratie in Duitsland ten gronde ging,de vraag is waarom in Duitsland geen klassiek autoritair regime tot stand kwam.

In Europa was de trend eind jaren '20/begin '30 beslist niet gunstig voor de liberale democratieen. Maar waarom kende Duitsland geen Pilsudski, Franco of Mussolini? Aan nationaal-conservatieve politici die graag met dictatoriale volmachten wilden regeren was ook in Duitsland geen gebrek. Von Papen bijvoorbeeld wilde graag die rol spelen en werd daarbij gesteund door veel belangrijke industrielen, die weinig in de avontuurlijke en sociaal minderwaardige Hitler zagen.

Samenvattend verklaart Kershaw de werking van Hitler uit de bijzondere samenloop van omstandigheden: `De uitwerking op de Duitse bevolking van oorlog,revolutie en de nationale vernedering en de diepe angst voor het bolsjevisme gaven Hitler zijn platform'. Maar het zijn niet alleen de omstandigheden. Hitler wist veel beter dan zijn traditionele tegenstrevers de angst en de haatgevoelens in de Duitse bevolking onder woorden te brengen. Tegelijk, en dat is wezenlijk, schetste Hitler een wenkend vergezicht: het herstel van de Duitse macht, de vorming van een waarachtige `nationale gemeenschap' zonder verschil in rang en stand en een aanval op een krankzinnig hoge werkloosheid. Hitler maakte daarbij als geen ander van moderne campagne methodes: in 1932 vloog hij met een vliegtuig van de ene spreekbeurt naar de andere. Dat was nooit eerder vertoond.

Het fatale moment is natuurlijk 30 januari 1933 wanneer de oude president Hindenburg, na bijna een jaar lang te hebben geweigerd Hitler toch vraagt als kanselier. Von Papen, die vice-kanselier wordt zegt met een adembenemende zelfverzekerdheid: `We hebben hem ingehuurd'. Niet iedereen is zo blind. Generaal Erich Ludendorff, een van de helden van de Eerste Wereldoorlog en ooit `compagnon de route' van Hitler tijdens de poging tot staatsgreep een decennium eerder, ziet het beter en schrijft twee dagen later aan Hindenburg: `Ich prophezeie Ihnen feierlich dass dieser unselige Mann unser Reich in den Abgrund sturzen und unsere Nation in unfassbares Elend bringen wird.

Kommende Geslechter werden Sie wegen dieser Handlung in Ihrem Grabe verfluchen'.

Als niet, wat dan

Achteraf heeft Hitlers weg naar de absolute heerschappij zich verdicht tot dat cruciale moment in 1933. Kershaws grootste verdienste is dat hij de niet geringe medewerking, die Hitler al in een vroeg stadium kreeg van onder meer het leger, heel goed laat zien. Tegelijk maakt hij heel duidelijk hoe vaak Hitler langs de rand van de mislukking en de ondergang heeft gebalanceerd, ook in de eerste jaren na 1933. Daarmee worden twee opvattingen bestreden: Hitler was niet onontkoombaar en Hitler was geen eenling.

De verleiding van `if-history' is in het geval van Hitler wel erg groot. Wat als de Weense kunstacademie hem in 1908 niet had afgewezen en hij zijn artistieke plannen had kunnen verwezenlijken? Wat als de Duitse autoriteiten de Oostenrijker Hitler, die in eigen land werd gezocht vanwege ontduiking van de dienstplicht, gewoon in 1913 uitgewezen hadden? Wat als de kogel, die de man naast Hitler trof tijdens de putsch in 1923, een halve meter meer naar rechts was geweest? Wat als het gerechtshof Hitler de volle vijf jaar van zijn straf had laten uitzetten in plaats van hem tegen alle regels in na negen maanden al vrij te laten? Wat als de statenloze Hitler er niet vlak voor de presidentverkiezingen van 1932 in was geslaagd het burgerschap te verwerven? Wat als president Hindenburg niet in de zomer van 1934 was overleden, waardoor Hitler ook opperbevelhebber van het leger werd en een belangrijke tegenmacht werd geneutraliseerd?

Daarmee is gezegd dat zonder Hitler de Duitse geschiedenis inderdaad anders was verlopen. Hitler was geen onontkoombare uitkomst waartoe de Duitse geschiedenis moest leiden: er is geen Duitse `Sonderweg'.

Dat is Kershaws stellige en terechte conclusie. Tegelijk laat hij zien hoezeer de Duitse samenleving en vooral de conservatieve elite een grote verantwoordelijkheid dragen voor diens weg naar de macht. Niet alleen was Hitlers partij na de depressie van 1929 de grootste partij van Duitsland, maar Hitlers loopbaan in de tien jaar voor zijn electorale doorbraak was ondenkbaar zonder patronage en financiele steun van hogere kringen, eerst in Beieren en daarna in Duitsland.

Regeringsverantwoordelijkheid

Wat dat laatste betreft springen twee periodes in het oog: de jaren '19 tot eind '23 en in 1932/begin '33. Vooral die vroege periode, waarbij de partij van Hitler aan de electorale rand van de Duitse politiek verkeert is belangwekkend. We zien hem al in de vroege jaren twintig aan tafel bij de Beierse minister-president Gustav Ritter von Kahr, die zelf in de schemerzone van de legaliteit opereerde met plannen om Beieren af te scheiden van Pruisen. We zien hem in gesprek met de opperbevelhebber van het Duitse leger, generaal Hans von Seeckt, en Ludendorff.

Het patroon herhaalt zich in 1932. Traditionele nationaal-conservatieve politici willen Hitler, die inmiddels een grote aanhang heeft verworven maar over zijn hoogtepunt heen lijkt, gebruiken voor hun doeleinden en denken hem te kunnen beheersen door de Nazi's regeringsverantwoordelijkheid te geven. Kershaw concludeert: `Eigenlijk was het meer de politieke misrekening van anderen dan het handelen van de Nazi-leider zelf, die hem in de kanseliers zetel deed belanden'. Zeker is dat de conservatieve politici in 1923 en in 1932 zelf de grondwet met groot dedain behandelden en zo de geesteshouding belichaamden waarvan Hitler een radicalere variant was.

Belangrijk inzicht geeft Kershaw in de wijze waarop Hitler leiding geeft, zowel in de NSDAP als later als kanselier. Bij belangrijke beslissingen aarzelt hij lang - wat overigens het tegendeel is van de hoogste impulsieve aard die velen Hitler hebben toegedicht - om vervolgens een alles-of-niets-weg te bewandelen. Rucksichtslos is Hitler inderdaad, maar wel na lange twijfel en pas als er moet worden gehandeld. Dat geldt voor interne conflicten in de NSDAP rond Otto Strasser, bij de putsch poging in 1923, bij de uitschakeling van de SA in de nacht van de lange messen in de zomer van 1934 en ook voor de remilitarisering van het Rijnland. Het zijn allemaal cruciale stappen op weg naar de ongedeelde heerschappij en allemaal initiatieven die het einde van Hitler hadden kunnen, of beter nog, hadden moeten inluiden.

Een trouvaille is de typering van de machtsuitoefening die in het laatste hoofdstuk wordt uitgewerkt: `Dem Fuhrer entgegenarbeiten'. Hitler vernietigt de formele bureaucratie en verstoort de normale regeerroutine. Zo kwam zijn kabinet steeds minder bijeen - uiteindelijk slechts enkele keren per jaar - en worden dwars door alle ministeries speciale afdelingen of organisaties opgericht die in een continue machtsstrijd verkeren. Tegelijkertijd wedijverden in deze darwinistische omgeving velen om, wat de wil van Fuhrer werd geacht te zijn, te vervullen. Kershaw citeert een toespraak waarin dat wordt geformuleerd: iedereen wordt uitgenodigd eigen initiatief te ontplooien, zo in Hitlers geest te werken en vooruit te lopen op diens wilsbeschikking. Het Derde Rij is ooit beschreven als een `plebiscitaire dicatuur'. Hitler schept zo een ruimte van rechteloosheid, waarbinnen een proces van radicalisering op gang komt waar hijzelf in directe zin vaak weinig mee van doen heeft.

Kershaw illustreert dat met de totstandkoming van de Neurenberger rassenwetten,die bij Bullock en Fest weinig nadruk krijgen omdat Hitler zich daar pas in een heel laat stadium mee bemoeit. Belangrijker is wat eraan voorafgaat, namelijk een steeds radicaler en brutaler antisemitisme dat door allerlei locale partij- en vooral middenstandsorganisaties wordt uitgeleefd in het voorjaar van 1935. Om deze chaos enigszins in te dammen, wordt het geimproviseerde besluit genomen om tot wetgeving te komen die pas in een heel laat stadium door Hitler wordt beoordeeld en geamendeerd.

Kershaws slotsom over Hitlers rol in de eerste jaren van het Derde Rijk: `Hilter was het onvermijdelijke centrum waarom heen het hele regime draaide en tegelijk hield hij in aanzienlijke mate afstand van de formele machinerie van de regering'. Door deze onthechting van de alledaagse politiek kon Hitler bij uitstek de nationale eenheid belichamen. In deze gereguleerde anarchie van het Derde Rijk ligt de sleutel tot de `cumulatieve radicalisering' (een term van de Duitse historicus Mommsen, overgenomen door Kershaw) die uiteindelijk naar de afgrond zal voeren.

De weg naar de macht van Hitler laat zich lezen als kroniek van voortdurende onderschatting. Veel biografen hebben in een reactie daarop de verleiding niet weerstaan om Hitler uit te vergroten. Kershaw slaagt wel in de opdracht die hij zichzelf heeft gesteld: het verenigen van een biografische en een structurele kijk, hoewel uit de formuleringen meer dan eens de spanning tussen beide manieren van kijken zichtbaar wordt. Het wordt interessant om te zien hoe deze poging uitwerkt in het tweede deel. In dit eerste deel verdwijnt Hitler vanaf 1933 soms wel erg naar de achtergrond in zijn beschouwing.

Dat het eerste deel eindigt met de remilitarisering van het Rijnland in 1936 lijkt willekeurig. De stelling van Kershaw, dat de hoogmoed dan omslaat in (zelf)destructie is niet echt overtuigend. Volgens Fest duurt het zeker tot 1938 voordat de fatale grens wordt overschreden die naar de massale vernietiging zal voeren. Maar Hitlers uitspraak van 14 maart 1936 heeft wel al een onheilspellende lading: `Ik volg met de zekerheid van een slaapwandelaar het pad dat voor mij is getekend door de voorzienigheid'.