De ratio van het irrationele; Nixons liefde voor de haat

`Waarom denk je dat mensen mij haten?'Het is een even simpele als interessante vraag, die oud-president Richard Nixon op 26 mei 1992 - een kleine twee jaar voor zijn dood - stelt aan zijn medewerkster Monica Crowley.

Crowley, als nauwelijks twintigjarige assistente in 1990 door Nixon in dienst genomen nadat ze in een brief haar bewondering had geuit voor zijn inzicht in en kennis van de wereldpolitiek, dreunt keurig het lesje op dat de meester in talloze sessies erin heeft gehamerd. Nixon, steekt ze van wal, was het slachtoffer van laag-bij-de-grondse en politiek gemotiveerde aanvallen. Die hadden hun oorsprong in zijn doortastende optreden vlak na de Tweede Wereldoorlog, toen hij de Democraat Alger Hiss had helpen ontmaskeren als communistisch spion. Vanaf dat moment konden de Democraten, hoogleraren aan de betere universiteiten aan de oostkust en de meeste journalisten - felle supporters van Hiss en pleitbezorgers van diens vermeende onschuld - zijn bloed wel drinken. De afrekening volgde in 1974 met Watergate. Maar in de `nazorg' daarvan toonde Nixon zich allesbehalve een deemoedig patient: hij weigerde stilletjes van het toneel te verdwijnen. Dat hij het lef had zich na zijn actieve politieke carriere te profileren als geopolitiek strateeg van conservatieve snit werd hem niet in dank afgenomen. Hoe vaker het progressieve deel der natie had geprobeerd hem te kielhalen, des te sterker was hij keer op keer uit de strijd tevoorschijn gekomen. Men kon tegen Richard Nixon trappen wat men wilde, uit het veld liet hij zich niet schoppen. Hij bleef, schrijft Crowley aan het eind van Nixon in Winter - het tweede deel van haar gesprekken met en herinneringen aan de voormalige president - tot het bittere eind `actief in de arena'.

Een keurig antwoord, maar niet wat Nixon in gedachten had. Haat, houdt hij Crowley voor, is een noodzakelijk kwaad dat de succesvolle politicus nu eenmaal op zijn pad naar de top tegenkomt.

`Het probleem met George Bush is dat hij door niemand wordt gehaat. Een effectieve leider heeft vijanden nodig dan weet je dat hij op de juiste weg is. Maar die vijanden laten het er niet bij zitten en hebben het op hem gemunt. Als je ze hun gang laat gaan zullen ze je vernietigen en hebben ze werkelijk gewonnen'. Als ik mij na Watergate in een grot had teruggetrokken, zegt hij in een latere monoloog hadden mijn vijanden mij precies gehad waar ze me hebben wilden. En dat voegt hij eraan toe, had ik natuurlijk nooit over mij heen kunnen laten gaan.

Negatieve arikelen

Haten en gehaat worden, zo blijkt uit Nixon in Winter, bepaalden zijn wereldbeeld. Met grimmig genoegen verzamelt hij van 1990 tot zijn dood in april 1994 negatieve artikelen over zichzelf, zijn vrouw, zijn gezin en zijn voormalige regering. In het bijzijn van Crowley scheldt hij naar hartelust op liberals ruggengraatloze Republikeinen - vrijwel iedereen behalve oud-minister van defensie Weinberger en overste Ollie North - diplomaten, ambtenaren van het ministerie van buitenlandse zaken, het nieuws op televisie, de schrijvende pers en Michail Gorbatsjov. Niet voor niets vereenzelvigt hij zich met Boris Jeltsin: een onbegrepen leider die door het collectieve Amerikaanse establishment wordt uitgespuugd. Jeltsin voldoet aan Nixons dictum: hij is de belichaming van de `rationaliteit van het irrationele'. Met zijn onvoorspelbare gedrag strooit hij iedereen zand in de ogen. Verwarring zaaien, daar gaat het om. Op die manier kun je volgens Nixon politieke vijanden verlammen.

Crowley heeft het oeverloze gescheld en gefilosofeer van Nixon ongefilterd opgeschreven, zonder er al te veel eigen gedachten aan toe te voegen.

Ze kan de neiging tot dat laatste niet altijd bedwingen, bijvoorbeeld als ze haar eigen theorie over Watergate wil spuien en schrijft dat het `optimistische' politieke systeem met `zijn geloof in de idee dat de menselijke geest in principe goed is' door deze zaak een gevoelige klap kreeg. Ongeloofwaardig is dat ze Nixon als zijn einde in zicht komt, een Hollywood-uitgeleide wil geven. Steeds vaker vergezelt ze hem op korte uitstapjes naar Manhattan. Steeds vaker wordt hij daarbij - vanzelfsprekend tegen wil en dank, want diep in zijn hart blijft hij een mensenschuwe argeloze kluns - volgens haar omringd door bewonderende toeristen en andere passanten, die hem niet met rust laten voordat hij iedereen een handtekening heeft gegeven.

Maar over het algemeen komt Crowley's Nixon authentiek over. Ze verdoezelt zijn kwalijke kanten niet. Als ze die tenminste heeft herkend. Want in de introductie schrijft ze dat ze hem als `een jonge fan tegemoet trad' toen hij haar als 21-jarige studente aanstelde. Ze slikte zijn uitlatingen vervolgens voor zoete koek, schreef ze op in een kladschrift en werkte die iedere avond keurig uit.

De Nixon van of the Record en In Winter wordt zo een paradox. Aan de ene kant springt hij op de bres voor de gewone man, `het ongeschoolde volk' zoals zijn voormalige stafchef Haldeman in zijn dagboeken al uit de mond van Nixon optekende. Deze doorsnee Amerikaan staat aan de basis van de visie die hem beurtelings de Churchill of De Gaulle van Amerika moest maken en de Republikeinse partij moest ombuigen in conservatieve richting, steunend op Ieren en Italianen, protestantse zuiderlingen en huisvrouwen.

Aan de andere kant waant hij zich een populist.

Hij is ervan overtuigd: `hoe intelligenter een man, des te weker zijn ruggengraat'. Toch smeekt hij bijna om erkenning van zijn vijanden - hoogleraren, journalisten - en beschouwt hij elk artikel, iedere kritiek - positief of negatief - als blijk van bewijs dat hij nog meetelt en serieus wordt genomen. Hoezeer hij de Washington Post en de New York Times ook verafschuwt als instituten die zijn voortijdig vertrek als president hebben veroorzaakt, zijn verlangen naar een stuk op de opiniepagina's van deze kranten wint het van zijn haat.

Die behoefte aan erkenning wordt tot in het absurde doorgevoerd. Wanneer zijn vrouw Pat overlijdt, krijgt Crowley de opdracht alle necrologieen bij te houden. Hij weet zeker dat de pers negatief over haar zal schrijven: ze is immers een aangetrouwde Nixon. Als de New York Times de volgende dag een foto van Pat als jonge moeder hand in hand met haar dochters Tricia en Julie op de voorpagina zet, is Nixon blij verrast. Waarlijk, een keurige gezinsfoto. Dat zou Pat, een voorbeeldige huisvrouw hebben gewaardeerd. Maar dan slaat zijn tevredenheid om in woede. De foto mag dan op de voorpagina staan, hij beseft ineens dat het bericht van haar overlijden op een van de binnenpagina's is beland. `Als Pat liberaal was geweest', zegt hij, `was het anders gegaan. Hieruit blijkt maar weer eens waar we tegen moeten knokken'.

Seksloze corruptie

Deze paranoia was een dankbaar onderwerp voor journalisten, cineasten en schrijvers. In die laatste categorie zetten Philip Roth de toon met Our Gang (1971). President Trickey E. Dixon wil voor de foetussen - `totaal zonder vertegenwoordiging of stem in de federale regering' - zijn wat Martin Luther King was voor de zwarten.

Maar het komt er niet van, want hij moet zich verdedigen tegen beschuldigingen dat hij zich heeft vergrepen aan een padvinder. Hoe zich uit deze penibele situatie te redden? Tricky weet de oplossing: een televisierede waarin hij zijn seksleven afzet tegen het aantal keren dat hij als een `samenzweerder, intrigant en naambekladder' te werk is gegaan. Dan weet het Amerikaanse volk weer uit wat voor hout de president is gesneden.

Dit idee van de seksloze corrupte president is een eigen leven gaan leiden. Sterker, de conservatieve schrijver Charles McCarry maakte deze zomer in een ingezonden stuk in de New York Times (12 juli) dankbaar gebruik van de reputatie van Nixon door hem in dit opzicht af te zetten tegen de huidige president. Van Nixon, wist McCarry, werd alles onderzocht `behalve zijn seksleven; volgens vrijwel iedereen deed hij niet aan seks'.

Met de roman NixonCarver van Mark Maxwell is nu de balans hersteld. Ex-president Dick Nixon en schrijver Raymond Carver komen elkaar tegen op het strand in Californie. `Nixon knikt. Hij wil zeggen: `Ooit was ik president, en nu word ik door iedereen gehaat'. Maar hij beseft meteen dat dat er niet toe doet. `Ik heet Dick', is het enige dat hij uitbrengt als hij veronderstelt dat Ray hem niet herkent. `Aangenaam, Dick', zegt Ray. Het zijn twee oude vrienden die doen alsof ze elkaar voor het eerst ontmoeten'. Op een honkbalveld en tijdens een pokerspel blikken ze vervolgens terug op hun leven. Nixon - `Penisaurus Rex' - blijkt een uiterst actief seksleven achter de rug te hebben. Erotische fantasieen beheersen zijn geest en bepalen de gesprekken. Carver heeft vooral zijn best gedaan om als personage in zijn eigen verhalen te verdwijnen.

Beiden zijn experts in doodgaan: de een lijdt al jaren aan kanker, de ander heeft regelmatig in zijn politieke graf gestaard. Beiden zijn schlemielen, vechtend tegen drank, op late leeftijd rekeningen vereffend met een harde armoedige jeugd. `Een lange weg van Yorba Linda naar het Witte Huis', zegt Nixon in zijn laatste monoloog. `Maar ik heb het gemaakt. Verbeeld je (...) Dick Nixon, leider van de vrije wereld. Misschien voor eeuwig beschadigd, maar ook voor eeuwig stralend. Dick Nixon is the fucking American Dream'. Maxwells Nixon is misschien corrupt maar dat doet er niet toe. Ook zijn driftleven is uiteindelijk irrelevant. Nixon schrijft hij, was de `zieligste man van Amerika' en juist daarom herkenbaar als archetype.

Crowley komt bijna iedere ochtend bij het betreden van het kantoor op haar bureau een artikel tegen uit een door Nixon verachte maar gretig gelezen krant of tijdschrift. Na het gebruikelijke gefoeter op de lamzakkige journalist die dit uit zijn pen heeft gekregen gaan ze aan de slag. Boeken redigeren, artikelen voor de opiniepagina bewerken. Ineens komt de klad erin. In maart 1994 treft Crowley Nixon niet meer aan in zijn kantoor maar op het balkon, genietend van de zon. Hij uit zich in onbegrijpelijke, half afgemaakte zinnen. Een maand later is hij overleden.