De langzame vadermoord

In de jaren dertig was Simon Vestdijk enige tijd redactielid van Forum het tijdschrift dat geleid werd door Menno ter Braak en Eddy du Perron. Evert van der Starre, emeritus hoogleraar Franse letterkunde, schrijft in Vestdijk over Frankrijk dat Vestdijk zich in dit gezelschap niet thuisvoelde.

Als beginnend auteur durfde hij zich niet openlijk te verzetten tegen het door Du Perron uitgedragen credo dat voor goede literatuur behalve talent ook persoonlijkheid nodig was. Maar wel nam de schuchtere Vestdijk op zijn eigen manier, dat wil zeggen indirect en met geruime vertraging, afstand van de Forum-opvattingen.

Van der Starre laat in zijn boek op overtuigende wijze zien hoe Vestdijk in enkele romans, die pas ver na de Tweede Wereldoorlog verschenen, zich tegen de in 1940 overleden Du Perron keerde door diens grote voorbeeld Stendhal af te wijzen. Voor Toos Rappange, die als lerares Frans optreedt in De ziener (1959), en voor de kunsthandelaar Pierre Duplessys uit De leeuw en zijn huid (1967) blijkt deze Franse auteur allesbehalve een vriend te zijn.

Deze afrekening kwam erg laat, want sinds het begin van zijn schrijverschap stond Vestdijk niet alleen vreemd tegenover het onderscheid tussen talent en persoonlijkheid, maar was hij al helemaal afkerig van de nadruk die Multatuli-bewonderaar Du Perron legde op het literaire belang van eigenschappen als oprechtheid en moed. In het eerste deel van zijn boek maakt Van der Starre in een fraai betoog aannemelijk dat het schrijverschap van Vestdijk kan worden geinterpreteerd als een langzame ontworsteling aan de invloed van zijn `literaire peetvader' Du Perron.

Dan, na een kwart van het boek, hebben we helaas het beste gehad. In het vervolg worden de opvattingen van Vestdijk over de Franse natie en cultuur ondergeschikt gemaakt aan Van der Starre's ambitie om het oeuvre van deze auteur te ontleden aan de hand van grote en onderling weinig samenhangende thema's als `nationale stereotypen' en `de getuige'. Hij probeert de lezer mee te zeulen door een houterige analyse over structuren, technieken en procedes. Hier wordt men getrakteerd op het soort literatuurwetenschap dat herinnert aan het raadsel der onleesbaarheid.

De stijl, die in het eerste deel van het boek levendig is, wordt stroef en er vallen te vaak termen als `vertelsituatie', `uitstralingseffect', `biografisme' en `metadiscursief'.

Ook gebruikt Van der Starre zinswendingen als `een complicatie die in feite veroorzaakt wordt door het feit' enzovoort. Vermeld moet worden dat hij zich aan het slot van zijn boek deemoedig verontschuldigt voor het gebrek aan samenhang in zijn betoog. Jammer, dat het na zo'n fraai begin op die manier moet eindigen.