De koopman en de universiteit

Een van de afdelingen binnen mijn bedrijf hanteert als missie de leuze: denken, durven, doen. Een leus die prima aansluit bij een onderneming die gericht is op winst maken. Dit impliceert de aanwezigheid van een doel dat via een helder omschreven logistiek proces bereikt kan worden door eerst strategisch na te denken, om vervolgens gesterkt door een portie lef de vereiste activiteiten daadkrachtig uit te voeren. Dat zijn kenmerken van goed, pragmatisch koopmanschap die kunnen bijdragen aan het floreren van de economie.

Maar zoals een gezonde koopman niet alleen denkt, durft en doet, maar in zijn vrije tijd ook een gewoon mens is, die tobt, twijfelt, talmt wacht, uitrust en tot bezinning komt, zo bestaat een gezonde samenleving niet alleen uit de optelsom van efficient marktgericht handelen. Juist in het proces van onzekerheid, van wikken en wegen ligt de bron van creativiteit besloten, en daarmee van innovatie. Voorwaarde voor een gezonde samenleving is dat plaats wordt geboden aan instituties waar ongegeneerd, schijnbaar ondoelmatig, kan worden getobd en getwijfeld en bestaande zekerheden ter discussie kunnen worden gesteld. Zoals het een illusie is om te denken dat je je eigen individuele leven efficient kan leiden, zo is het een zo mogelijk nog groter misverstand er van uit te gaan dat een samenleving louter kan functioneren op basis van efficiency. Misschien kan het wel, maar het zou leiden tot een in meerdere opzichten armoedig geestelijk bestaan. En is dat dan winst?

De plaatsen waar het geestelijk leven en reflectie traditioneel voorop stonden waren de kerk en de universiteit. In de kerk door bezinning, in de universiteit door kritische distantie op basis van fundamenteel onderzoek. Tijdens de opening van het academisch jaar konden we uit diverse toespraken opmaken dat de universiteiten zich en masse tot de markt bekeren. Deze - noodgedwongen - knieval voor de vragen van de markt betekent dat er nog minder ruimte is voor het stellen van fundamentele vragen. Nog minder ruimte bestaat er voor twijfel en onzekerheid, voor de vruchteloze zoektocht naar de Waarheid zonder dat het beoogde doel het daadwerkelijk vinden van die waarheid is. Zoeken om het zoeken dus.

De maatschappelijke noodzaak tot het stellen van dergelijke vragen is groot.

Een bruisende samenleving zoals de onze kan makkelijk verstrikt raken in haar eigen bezigheden, als er niet voortdurende reflectie op die bezigheden plaatsvindt. Daarom moet er iemand zijn die van een afstand naar de hollende, voortjagende mens van de jaren negentig kijkt en zich afvraagt waar we mee bezig zijn, die vragen stelt zonder onmiddellijk een antwoord te verwachten en die zich afvraagt wat goed en wat slecht is wat de kenmerken zijn van menselijk gedrag, wat vooruitgang en wat ontwikkeling is, wat tolerantie en wat onverschilligheid, wat schoonheid is en wat liefde, wat geluk is, wat voorspoed, wat gemeenschapszin is en wat individualiteit, wat rechtvaardigheid is, wat wijsheid is? Vragen waarop we nog lang geen antwoord hebben gevonden.

En de bedachtzame beschouwer, die zich die ogenschijnlijk nutteloze vragen stelt, moet een rustig thuis hebben, een vrijplaats om te denken, een plek waar zo min mogelijk belangen een rol spelen. Daar kan hij in alle rust zijn onderzoek doen en de kritische manier van denken overdragen op zijn studenten waarbij hij ze steeds voorhoudt dat het niet gaat om het verwerven van kennis en vaardigheden, maar om het verkrijgen van inzicht door het stellen van de juiste vragen op het juiste moment. Daar kan hij aangeven dat juist in een kennisintensieve samenleving waar kennis steeds belangrijker is, er een plaats hoort te zijn waar al die verschillende informatiestromen ondergeschikt worden gemaakt aan inzichten en analyse. Die plaats is sinds eeuwen toebedacht aan de universiteit, met zo min mogelijk inmenging van de markt. Niet voor niets: de markt zal niet onmiddellijk de behoefte voelen naar het zoeken van antwoorden op vragen waarvan niet op voorhand of in de nabije toekomst de winst in klinkende munt uit te betalen is.

Een marktgerichte universiteit die studenten aflevert die `probleemloos kunnen worden ingezet op de arbeidsmarkt' heeft veel minder toegevoegde waarde. Niet voor het bedrijf, omdat iemand die onmiddellijk ingezet kan worden blijkbaar hoofdzakelijk een vakopleiding heeft gevolgd en maar op een beperkt aantal plaatsen inzetbaar is. Niet voor de student omdat deze tijdens zijn academische jaren geen algemene denkvaardigheden heeft aangeleerd die hem/haar overal van pas zullen komen, maar hoofdzakelijk toegepaste kennis met een beperkte reikwijdte en geldigheidsduur. En tot slot vooral niet voor de universiteit, die de kans heeft laten schieten om haar meerwaarde aan de samenleving te bewijzen.

Ter illustratie: de kwaliteit van een universiteit is niet uit te drukken in de mate waarin haar afgestudeerden de computerprogramma's Access, Excel of Word probleemloos beheersen. Een succesvolle universiteit levert vooral een student af die het bedrijf binnenkomt en zich verdiept in de vraag welke programma's er worden gebruikt. Vervolgens vraagt hij zich af waarom dergelijke programma's gebruikt worden en of ze bijdragen aan het gestelde doel. Als ze dat niet doen probeert hij alternatieven te bedenken om binnen de gegeven randvoorwaarden van winstoptimalisatie het gestelde doel te behalen. Zo iemand is beslist niet `probleemloos inzetbaar op de arbeidsmarkt' en zal aanvankelijk wellicht problemen veroorzaken. Maar uiteindelijk zal hij toch bijdragen aan de voorspoed van het bedrijf.

Wanneer de koopman niet regelmatig stilstaat bij algemeen menselijke vragen, twijfels en onzekerheden, geraakt de mens achter de koopman op den duur uit balans en verliest de greep op zijn bestaan.

Hij denkt durft en doet misschien nog wel, maar de vaste basis is verdwenen en de bron voor zijn creativiteit opgedroogd. Precies zo verliest een samenleving zijn greep op de ontwikkelingen wanneer niet voldoende ruimte wordt geboden aan reflectie en kritische distantie. De balans in de samenleving raakt zoek.

Juist in een tijd van grote economische vooruitgang is het van belang te investeren in de fundamenten van de samenleving en te zorgen dat de balans tussen wikken en wegen wordt hersteld.

Als we ons die luxe nu kunnen permitteren - en die noodzaak is dwingend aanwezig dan moeten we het beleid handen en voeten geven om de benodigde randvoorwaarden te ontwikkelen. Want wie zwijgt en dergelijke vragen niet stelt, is de uiteindelijke verliezer. Misschien niet van de concurrentie, maar wel van zichzelf.