De kantelende gedaante van het toeval; Historische romans van Simon Vestdijk

Morgen honderd jaar geleden werd de schrijver Simon Vestdijk geboren. Vestdijk, ooit scheepsarts, voelde zich voor negentig procent romanticus. Daarom was de geschiedenis voor hem het jachtterrein bij uitstek. Als een van de productiefste auteurs van deze eeuw, betoonde hij zich een meester op het gebied van de historische roman

Het duurde even tot Simon Vestdijk de eigen toon en thematiek had gevonden die hem tot een bijzonder schrijver zouden maken. De uitgever Nijgh en Van Ditmar wees in 1933 het manuscript van zijn eerste roman Kind tussen vier vrouwen, af. De omvang (meer dan achthonderd bladzijden) werd als grootste bezwaar aangevoerd, maar de nauwelijks verborgen poging van Vestdijk om Proust na te bootsen stuitte ook op kritiek. De gevoelswereld van het kind Anton Wachter werd beschreven volgens het minutieuze procede van A la recherche du temps perdu, maar de ontelbare details kwamen bij Vestdijk onvoldoende tot leven.

Vervolgens schreef hij Meneer Visser's hellevaart, maar deze roman zou pas met vertraging van ruim een jaar verschijnen. Zijn vriend Du Perron was niet de enige die pijnlijk werd getroffen door de vrijpostigheid waarmee Vestdijk opnieuw van een buitenlands voorbeeld, ditmaal Joyce, had geleend. De monologue interieure van meneer Visser leek wel heel erg op die van Leopold Bloom in Ulysses.

Dat Vestdijk veel meer kon dan imiteren bewees hij echter heel snel met Terug tot Ina Damman (1934), dat als zijn debuut verscheen, en Else Bohler, Duits dienstmeisje (1935). In deze twee romans zijn voor het eerst de onvervreemdbare ingredienten te vinden van het Vestdijkiaanse universum: psychologische finesse, atmosferische intimiteit en een zeer persoonlijke en vaak virtuoze zinsbouw. In beide boeken gaat het bovendien om het favoriete thema van Vestdijk verliefdheid, al houdt de overeenkomst daarmee op.

Puberliefde

In Terug tot Ina Damman, een ingehouden bewerking van het laatste deel van Kind tussen vier vrouwen, wordt de puberliefde van Anton Wachter voor Ina Damman beschreven, even zuiver en onschuldig als heftig en wanhopig.

De schitterende slotzin is inmiddels klassiek: `Maar zijn voeten raakten zwaar de aarde, zwaar en knarsend op het kiezel alsof zij het alleen hadden te bepalen hoe onwankelbaar trouw hij blijven zou aan iets dat hij verloren had, - aan iets dat hij nooit had bezeten.'

De dienstbode Else Bohler staat daarentegen model voor de onaantrekkelijke vrouw die een onbegrijpelijk gulzig verlangen oproept, `een ondoorgrondelijke mengeling van onzindelijkheid, bloedwraak en een zalig verdwaasde beulshonger in je hartkuil'. De ranzige passie voor een onaanlokkelijk schepsel (`ik kon zien hoe kort haar benen waren, hoe zij haar forse heupen niet op de helft van haar lichaam had zitten, maar zeker een decimeter lager') zou Vestdijk ook in andere romans blijven fascineren, maar wordt nergens zo meesterlijk uitgebeend als in dit boek.

Daarna begon Vestdijk aan zijn eerste historische roman, Het vijfde zegel (1937), maar ook deze start liet te wensen over. De worsteling van de schilder El Greco met de Spaanse inquisitie wordt met wel erg veel uitweidingen beschreven. Dat dit langdradige boek een verkoopsucces werd kan de hedendaagse lezer alleen maar verbazen. Vestdijk zelf zal het ook niet hebben verwacht, want hij was niet erg te spreken over deze historische roman. Maar ook in dit genre revancheerde hij zich snel vooral toen eenmaal de bezettingstijd aanbrak.

Ik voel me, zei Vestdijk eens, voor negentig procent romanticus. Het verleden was voor hem een welkom jachtterrein voor zijn romantische fantasie. Beroepshistorici hielden zich naar zijn smaak te veel met feiten en te weinig met mogelijkheden bezig. De vraag wat in de geschiedenis had kunnen gebeuren deed een beroep op de verbeeldingskracht, het uitverkoren wapen waarmee de romanschrijver volgens Vestdijk kon laten zien hoe mensen, in hun rol van `kantelende gedaante van het toeval', met hun spontane emoties een stempel drukken op de gang der dingen.

Zijn romantische beeld van de geschiedenis had nog een andere kant. Het verleden is een onbekende wereld die een beroep doet op onze aardse vergankelijkheid, maar die ook de mogelijkheid biedt te ontsnappen aan de werkelijkheid, weg te vluchten uit het hedendaagse. Vooral tijdens de jaren van de Duitse bezetting zocht Vestdijk die toevlucht, met vruchtbare resultaten. In die periode keerde hij de rug toe naar de geschiedenis die zich om hem heen voltrok, schreef hij vrijwel geen contemporain werk, en dook hij onder in het verleden: het 18de eeuwse Jamaica (Rumeiland, 1941), het 19de eeuwse Ierland (Ierse nachten, 1942) en het 17de eeuwse Nederland en Duitsland (De vuuraanbidders, 1944). Van de veertien historische romans die hij schreef behoort dit drietal tot de top. Alleen in De filosoof en de sluipmoordenaar (1961) evenaarde Vestdijk dit niveau.

In Else Bohler had Vestdijk het Duitse volk getypeerd als `de geleedpotige doodgravers van Europa'. Een jaar nadat de bezetting was begonnen werd hij door de Duitse machthebbers aangesproken op de antinazistische strekking van deze roman, die in september 1941 werd verboden. Vervolgens werd Vestdijk in mei '42, met een aantal andere bekende Nederlanders, in Sint Michielsgestel geinterneerd als gijzelaar. De gevangenen liepen het risico in het kader van Duitse represailles te worden doodgeschoten, een lot dat vijf van hen in augustus 1942 trof.

Vestdijk werd, nadat hij ook nog enige tijd in de Scheveningse gevangenis opgesloten had gezeten in maart 1943 vrijgelaten. Hij had zich `vrijgekocht' met de belofte lid te zullen worden van de Kultuurkamer, de organisatie van kunstenaars die een jaar eerder op last van de bezetter was opgericht.

Een aanvraag om lid te worden diende hij echter nooit in. Toch werd hij verder met rust gelaten. De verklaring voor die ongewone Duitse lankmoedigheid ligt waarschijnlijk in de paradoxale omstandigheid dat de gedetineerde schrijver van Else Bohler inmiddels in Duitsland de gewaardeerde auteur van vooral Rumeiland en Ierse nachten was geworden. In het thuisland van de bezetter bleken deze romans in vertaling een groot succes te zijn waarschijnlijk eerder als gevolg van hun literaire kwaliteiten dan van de `anti-Engelse' strekking waarop Vestdijk uitdrukkelijk had gewezen in zijn verzoekschrift om uit Gestel te worden vrijgelaten. Dat laatste gebaar illustreert dat zijn houding ten opzichte van het nationaal-socialisme en de Duitse bezetter een even complex patroon te zien gaf als de karakterstructuur van zijn romanpersonages.

Waarom zijn deze twee werken, en ook het in 1944 voltooide Vuuraanbidders, zo goed? Deze historische romans danken hun niveau in de eerste plaats aan dezelfde psychologische, atmosferische en stilistische kwaliteiten die ook zijn beste contemporaine romans kenmerken. Het verleden was voor de veelschrijver Vestdijk een extra mogelijkheid om zijn talent te exploreren. Het historische landschap gaf zijn fantasie de ruimte om een onbekend universum tot leven te wekken. De raadselachtigheid van een vreemde wereld bood deze specialist van het mysterie het middel om een sfeer op te roepen waarin veel ongezegd blijft, maar evenveel wordt gesuggereerd door middel van zinnen die vaak doen denken aan taalkundige pirouettes. Daarnaast beoefent Vestdijk ook in zijn historische romans met verve het psychologische diepzeeduiken. Tegen de achtergrond van een geheimzinnig decor schetst hij in deze werken persoonlijke drama's die in het teken staan van onbeheerste driften.

En het resultaat heeft een even aantrekkelijke intimiteit als de autobiografische Anton Wachter-romans.

Bijgeloof

In Rumeiland keert Richard Beckford terug naar de Britse kolonie Jamaica, waar hij een deel van zijn jeugd doorbracht. Hij heeft de opdracht de moord op een familielid te onderzoeken, maar is meer in de ban van zijn speurtocht naar de legendarisch-geheimzinnige piratenvrouw Anne Boney. In een omgeving die stijf staat van bijgeloof, magie en onderdrukte erotiek wordt hij verliefd op de gouverneursvrouw Lady Jane, `die zich door de kamer bewoog alsof ze ieder ogenblik met een onzichtbare slang kon gaan paren'. Dit spannende verhaal heeft een hallucinerend slot, waarin Vestdijk de lezer lange tijd weet te bedwelmen met de suggestie dat Lady Jane en Anne Boney een en dezelfde persoon zijn.

Even mysterieus is de moerassige en spookachtige atmosfeer in Ierse nachten. Anders dan in Rumeiland, waar met stilistische uitbundigheid een exotische wereld wordt getekend hanteert Vestdijk een sobere stijl die de beklemming accentueert van de armoede en bekrompenheid waartoe de opstandige Ierse turfstekers zijn veroordeeld. Hun revolte vormt de achtergrond van een familiedrama rondom de hoofdpersoon, de rentmeesterszoon Robert Farfrae. Volgens Vestdijk zelf was dit in zes weken geschreven boek zijn beste historische roman.

Minstens even boeiend is het negenhonderd bladzijden tellende en in vijf maanden geschreven De vuuraanbidders. Het is de enige van zijn historische romans die zich - althans voor een deel - in Nederland afspeelt. Volgens de schrijver was ons land ook in de eerste helft van de 17de eeuw al `het laagland der kleine feiten, huiselijke beslommeringen en voor bedilzucht vatbare afwijkingen'.

De hoofdpersoon Gerard Crielaert probeert zijn weg te vinden in de godsdiensttwisten tussen Remonstranten en Contraremonstranten. Zijn vader verbiedt hem de omgang met Deliana Valmaer, dochter van de Remonstrantse predikant Valmarius. Dit meisje heeft de ijle trekken van een Ina Damman, ze is `lijdelijk en wat hulpeloos, als een koningin die in een ver verschiet de mogelijkheid ziet opdoemen dat zij zich beledigd zou kunnen voelen'.

Liefdesverdriet brengt Gerard tot het besluit als `vuuraanbidder' (kannonnier) naar Duitsland te trekken, waar de Dertigjarige Oorlog woedt. Aan zijn ouders geeft hij als verklaring dat hij op zoek wil naar zijn zuster Lysbet, die is geschaakt door de Franse schilder Louis de Romanesque en met hem in oostelijke richting is getrokken. De Duitse avonturen van Gerard spelen zich af tegen het decor van een verwoest land: `Bloesem en verderf, geur en stank, koren en roet, leefden hier zo innig samen, dat het landschap bijna iets bovenaards verkreeg, iets dat hemel en hel te boven ging, doordat het van beide de meest in het oog springende kenmerken had geleend.' Voor Gerard en Lysbet eindigt de tocht door deze duistere omgeving even gewelddadig als tragisch.

Kaf en koren

Honderd jaar na zijn geboorte is er van Vestdijks werk nog maar een beperkt aantal titels in de boekhandel voorradig. Maar is dat het bewijs van een weggevloeide belangstelling? Of van een schifting die na verloop van tijd logisch en nuttig is? De waardering voor deze grote auteur kan alleen maar gebaat zijn bij een scheiding van kaf en koren.

Naar zijn eigen zeggen had Vestdijk het gevoel slechts te vegeteren als hij niet aan een roman werkte. Als hij niet werd geplaagd door zijn jaarlijkse depressie, schreef hij altijd.

De productie bestond tenslotte uit tweeenvijftig titels. Is het vreemd dat die berg nogal wat romans telt die niet of nauwelijks meer leesbaar zijn? De grootste dienst die men dit oeuvre kan bewijzen is de onwaarschijnlijke omvang ervan te vergeten en de aandacht te vestigen op de hoogtepunten. Van de contemporaine romans horen Terug tot Ina Damman, De koperen tuin, Else Bohler, Het glinsterend pantser en De ziener tot die categorie, bij de historische romans komt men in ieder geval bij Rumeiland, Ierse nachten en De vuuraanbidders uit.

Dat dit laatste genre verouderd zou zijn is onzin: jonge auteurs als Rosenboom en Thomese oogsten waardering en succes met hun historische romans. Vestdijk is vaak verweten de specialist van het kleinburgerlijk-vaderlandse milieu te zijn. Maar juist in zijn historische romans gaat het om grote thema's als verraad, wraak, liefde en dood. En wat te zeggen van het veel nageprate bezwaar dat deze auteur is gespecialiseerd in te lange zinnen, een eigenschap die hem hopeloos gedateerd zou maken? Wie Vestdijk goed leest, weet dat juist van die zinnen een grote bekoring kan uitgaan: de frappe zit 'm bij Vestdijk vaak in de laatste of voorlaatste bijzin. Nog een citaat (uit Else Bohler): `Het aflikken van de lepels, dat ik, als een soort antropologische curiositeit, glimlachend verdragen had zolang Else er was, leerde mij dat primitieve volkeren gelijk hebben uitsluitend te willen eten met wie men liefheeft en hoogacht, en dat gezamenlijk eten onder sommige omstandigheden schadelijker voor de ziel kan zijn dan gezamenlijk naar het toilet gaan, wat men onder geen enkele omstandigheid doet, en waarschijnlijk terecht.'

Inderdaad, om deze schrijver te kunnen waarderen is soms een klein beetje geduld en doorzettingsvermogen nodig. Maar wie openstaat voor de klank en het ritme van zijn stilistische wendingen, wordt binnengelaten in een wereld waarvan nog steeds een even eigenzinnige als aanstekelijke werking uitgaat.