De junk en het wonderpotlood

`Er was eens... een vieze zwarte junk die sliep in de New-Yorkse ondergrondse en die al zijn geld opmaakte met het roken van cocaine. Op een dag had die crack-junk geen geld om drugs te kopen en deed hij wat alle junks in dat soort omstandigheden doen: met een stokje begon hij restjes uit de steel van zijn crack-pijp los te schrapen om die op te kunnen roken.

Terwijl hij dat aan het doen was, zag hij voor het eerst dat het niet zo maar een stokje was waarmee hij dat wanhopige werkje verrichtte, nee, het was een potlood, zo een waarmee je ook echt kunt schrijven. En hoe het kwam, geloof het of niet, maar die junk vond ook een oud schriftje en hij begon met dat potlood zijn levensverhaal op te schrijven. En hij schreef en hij schreef, en een paar jaar later was die junk een echte schrijver en werd zijn boek gepubliceerd, en hij werd heel beroemd en lunchte in de Oesterbar en gebruikte nooit geen drugs meer...'

Als het onderwerp niet zo grauw en bitter was, zou het begin van Lee Stringers boek een ouderwets kindersprookje kunnen zijn. Zelfs de grauwste dagelijksheid aan de onderkant van de samenleving heeft wel eens een roze gloed en de wat gruizige, illusieloze toon van dit boek maakt dat sprookje geloofwaardig en dit boek daarmee bijzonder.

Lee Stringer raakte aan de crack in de jaren tachtig. Het verlies van zijn baan als grafisch ontwerper was stap een in de richting van Skid Row; de dood van zijn broer, vermoedelijk aan aids, was de tweede. Een cafekameraad introduceerde hem tot de crack-high als troostgever, en onmiddellijk wist Stringer dat hij niets anders meer wilde, nooit meer. Het was een gevoel van `succes, liefde, orgasme, omnipotentie, onsterfelijkheid en het winnen van de loterij, allemaal in een.'

Het duurde niet lang of hij kon de huur van zijn appartement niet meer betalen, en daar stond hij op straat, een met het leger van duizenden daklozen in New York. `Maar in plaats van buitengesloten voel ik me op een vreemde manier opgelucht. Opgetogen zelfs. Ik ben zojuist bevrijd, realiseer ik me, van alle aardse claims. Er is helemaal niets meer dat ik verplicht ben te doen. Niemand meer die ik geacht word te zijn.'

En vanaf daar begint het leven op de straat dat Stringer in een sarcastisch, korzelig proza beschrijft. De dagen die zich vullen met het bijeenslepen van honderden lege blikjes die een dollarcent per stuk aan recycling-waarde vertegenwoordigen - altijd aan het eind van de dag goed voor enkele tientallen dollars die aan de dealer kunnen worden gegeven. De strategieen in de eeuwige guerrilla met de ordebewaarders, vooral waar het gaat om het vinden van een slaapplaats in de winter - doorgaans een treinstation en vandaar de titel.

Maar Stringers boek gaat verder dan het beschrijven van dit straatleven en zijn eigen bevrijding. Hij is erg goed in het neerzetten van de schichtige contacten tussen de zo verschillende werelden van de bums en de nette mensen met een baan, en vooral de rafelranden die de grenzen van die werelden vormen. Aan die grenzen ontmoet de lezer een argeloze, aan de coke geraakte hotelmanager die door Stringer voor beroving wordt behoed, alsmede een mooie blonde hooker die haar klanten op straat afwerkt en van de schrijver zijn kantoor mag gebruiken om (doorgaans samen) de met het verdiende geld gekochte crack te roken.

Kantoor? Ja, want Stringers moeizame weg naar een normaler leven verliep via Street News, een daklozenkrant die in New York ontstond en sindsdien in alle metropolen, Amsterdam niet uitgezonderd, min of meer succesvolle navolgelingen kreeg. Het idee achter het blad was de daklozen niet alleen een dagvulling maar ook een inkomen te verschaffen, dat door Stringer in eerste instantie weer dagelijks in drugs werd omgezet. Maar nadat hij dat wonderpotloodje had ontdekt begon hij ook voor Street News te schrijven, werd vaste columnist en redacteur en besloot, naarmate dat schrijven belangrijker werd, iets aan zijn verslaving te doen.

Het resultaat is op sommige plekken schrijnend van authenticiteit, vol met mooie anekdotes en op een verfrissende manier vrij van berouw of moralisme. Stringer heeft grotendeels lak aan chronologie, en schotelt de lezer aan het eind weer wat crack-verhalen voor, misschien indachtig het dictum `eens een junk, altijd een junk.' Maar schrijven kan hij oftewel `this man can write!' zoals Kurt Vonnegut opgetogen uitroept in zijn sympathiserende voorwoord. Vonnegut noemt hem zelfs de nieuwe Jack London. Maar met alle respect voor dit boek geloof ik dat we dat oordeel even moeten opschorten. Tot Lee Stringer een tweede boek heeft gepubliceerd bijvoorbeeld.