De hele nacht

De krekel had de hele nacht gesjirpt.

Toen de zon opkwam was hij moe en dacht: wat nu?

Hij wist geen antwoord op die vraag en besloot het aan iemand te vragen.

Hi keek om zich heen, zag niemand, rekte zich uit en riep, zo hard als hij kon: “En nu?'

Van heel ver weg kwam er een stem - de krekel kon niet horen van wie die stem was - die terugriep: “En nu?'

“Ja, en nu!' riep de krekel.

Even was het stil, toen riep de stem: “Nu niets.'

De krekel vond dat een heel goed antwoord en hij deed de hele dag niets.

Als er iemand langs hem liep en vroeg: “Wat doe je, krekel?' dan zei hij opgetogen: “Niets. Ik doe nu niets!' en maakte hij een sprong van tevredenheid in de lucht. Wat een antwoord, wat een antwoord! dacht hij.

Maar toen de avond viel werd hij moe van niets. Dat is raar dacht hij. Maar het is wel zo. Hij dacht even na, rekte zich uit en riep zo hard mogelijk: “En nu?'

Weer kwam het antwoord van dezelfde stem. De krekel kon weer niet horen wie het was.

“Nog steeds niets', riep de stem.

“Nog steeds niets?' riep de krekel.

“Ja.'

De krekel had op een ander antwoord gehoopt. Maar hij probeerde nog een tijd lang niets te doen.

Ten slotte werd hij daar zo moe van dat hij riep: “Ik ga sjirpen!'

“Dat is goed', riep de stem terug.

Dat is goed! dacht de krekel. Dat is dus goed! En hij begon onmiddellijk te sjirpen.

Het was donker geworden en sterren flonkerden aan de grote zwarte hemel. De krekel sjirpte de hele nacht.

Wat is het leven toch eigenaardig, dacht hij al sjirpend.

Maar hij vond het nog eigenaardiger dat hij dat dacht. Want het leven, wat was dat? En als hij niet wist wat dat was hoe kon hij het dan eigenaardig vinden?

Maar hij sjirpte wel door. dat in elk geval, dacht hij.