De galerie; Ed Gebski

Deze maand is het precies tien jaar geleden dat galerie Loerakker in Amsterdam werd opgericht. De royale voorkamer van het grachtenpand moest destijds alleen maar ruimtelijke installaties te zien geven. Er moesten veel kunstenaars exposeren en die moesten op hun beurt weer veel opdrachten krijgen van een karavaan van kunstliefhebbers die ongetwijfeld keer op keer voorbij zou trekken. En zo zou iedereen gelukkig worden, dacht Hannie Loerakker in 1988.

Een jaar later viel dat geluk nogal tegen. De installaties waren inderdaad volop geprogrammeerd, maar de opdrachten waren ver te zoeken. Aangezien van alleen maar belangstelling niet viel te leven, werd vanaf die tijd ook het platte vlak tot de galerie toegelaten.

Toch bleef `ruimte' in concrete en abstracte zin belangrijk: “Ik wilde en ik wil nog steeds dat de schilderijen en tekeningen iets in deze zalen aanrichten, in sfeer en in proporties', vertelt de kunsthistorica Hannie Loerakker. “Ik ben niet uit op plaatjes zonder samenhang.'

Dat verlangen van de galeriehoudster naar de ruimtelijke uitstraling van twee dimensies resulteerde vaak in monumentale schilderijen. En die konden alleen nog maar monumentaler worden omdat de galerie zich inmiddels een deel van de voormalige Vrije Volk-drukkerij had toegeeigend. Via de lange nu duistere gang, die eveneens vaak als tentoonstellingsruimte functioneert, werden voor de oorlog de kolossale rollen krantenpapier vanaf de gracht aangevoerd. En wie op zoek was naar de buitenland-redactie van diezelfde krant, moest in dit pand naar een soort hobbyhok op zolder klimmen. Buitenlands nieuws was bijzaak.

Loerakker telt nu ongeveer vijftien kunstenaars die er met enige regelmaat hun werk laten zien. Het zijn vooral deze exposanten die weer nieuwe exposanten aandragen, omdat ze goed aanvoelen wat er op de Keizersgracht 380 welkom is: “Ik breng niet iemand waar iedereen op valt', aldus Hannie Loerakker, “maar liever datgene dat minder snel wordt opgepikt, dat zich een beetje in de marge terzijde van de circuits ophoudt.' De galerie vaart er wel bij. “Vroeger kocht men spontaan, de laatste jaren vooral gemakkelijk - hoewel wel erg vaak gevraagd wordt of dit of dat `zijn waarde behoudt?' '

Deze maand zijn de metersbrede of -hoge schilderijen van Ed Gebski (1959) aan de beurt.

Gebski - van oorsprong een Limburger, die via een studie biologie in Amsterdam en later op de Rijksacademie terechtkwam - kreeg in 1994 de eerste Prix de Rome-prijs schilderen. En dat was terecht, ben je meteen geneigd te denken, want zijn soms Sigmar Polke-achtige beelden - archaisch en erotisch, sober en gelaagd - kunnen je als een bijna mystieke ervaring bijblijven. Wie dat in deze tijd van electronische beeldenpest voor elkaar krijgt in verf, dwingt respect af.

Gebski schildert met foto's en fotografeert met verf. Hij gebruikt daartoe het lichtgevoelige zilvernitraat met acryl en laat door de steeds nieuwe transparante lagen van dezelfde stoffen vervolgens de eerste oorspronkelijke fotografische zwarten als geheugenflitsen tevoorschijn komen. Voor de toevoeging van de deels veelal transparante groene, oranje bruine of gele tinten gebruikt hij eveneens chemicalien. En die geleiachtige massa wordt weliswaar in grotere vlakken als verf aangebracht, maar krijgt later toch iets van een waas van vaart, een nevel van vergetelheid, alsof elk beeld alleen maar in troebele of geschonden staat weer tevoorschijn mag komen.

Waren Gebski's schilderijen een jaar of vijf gemakkelijker te duiden als bijvoorbeeld `een zelfportret tussen de lampekappen', zijn recente werk is veel vager, leger en abstracter, maar ook veel spannender geworden; het plaatje van weleer laat nu als een gestalte met een hoog suspense gehalte veel meer te raden over. Die suspense zit in de uitsnijdingen van het beeld, zoals twee onderlichamen, die elkaar als in een vreemd verlicht zwembad kruisen of zoals een serie benen, die als een ouderwets vlechtmatje zwart en stevig in het oranje staan geetst. Zo opgeschreven lijkt dat thematisch nogal niemandallerig, maar juist die beperking werkt bezwerend.

Voeg daar wat suspense betreft, nog dat onnavolgbare, maar beheerste gedonder met chemicalien aan toe en je ziet bijvoorbeeld een zelfportret, ten voeten uit als onderaanzicht, waar je in welke ruimte dan ook niet zo maar om heen kan.