Apocalyps nu!; Sensationeel debuut van Tristan Egolf

Tristan Egolf: Lord of the Barnyard. Killing the Fatted Calf and Arming the Aware in the Corn Belt. Picador, 410 blz. f48,45 (geb.). De Nederlandse editie, Heer onder het gepeupel (uit het Amerikaans vertaald door Irving Pardoen) is verschenen bij Vassallucci, 489 blz. f49,90 (geb.)

`De werkelijkheid is niet alleen vreemder dan fictie, ze verkoopt ook beter.' Onder dit motto signaleerde de New York Times een half jaar geleden de explosieve opleving van een oud genre in de Amerikaanse literatuur: de door Truman Capote (In Cold Blood, 1967) `uitgevonden' non-fictieroman. Recente bestsellers als Midnight in the Garden of Good and Evil van John Berendt en The Perfect Storm van Sebastian Junger hadden de weg geeffend voor een bombardement van `literary faction'. Dat daarbij om romantische redenen vaak de waarheid geweld werd aangedaan - `fictioneel oppoetsen' noemde de NYT dat met een elegant eufemisme - was voor schrijvers en uitgevers bijzaak. Want alleen al de schijn van authenticiteit garandeerde hoge noteringen in de boekentoptiens.

In het licht van deze, ook in Nederland aanwijsbare, ontwikkeling valt het sensationele debuut van de 26-jarige Tristan Egolf te lezen als een ouderwetse roman met een knipoog. Lord of the Barnyard, dat deze zomer verscheen en nu in het Nederlands is vertaald, is geen waargebeurd verhaal met verzonnen verfraaiingen, maar fictie in de vorm van faction. Het levensverhaal van John Kaltenbrunner, een op zijn zachtst gezegd onaangepaste jongen in het modern-Amerikaanse Midden-Westen, leest aanvankelijk als een klassieke biografie, met alle aandacht voor de achtergrond, de jeugd en de leerjaren van de hoofdpersoon. Maar gaandeweg begint het steeds meer te lijken op een mengeling van geschiedschrijving en onderzoeksjournalistiek: documenten en krantenberichten worden geciteerd, ooggetuigen komen aan het woord, de historie van het door Kaltenbrunner te gronde gerichte plaatsje Baker wordt uitgebreid uit de doeken gedaan, en voortdurend wordt benadrukt hoe moeilijk het is om het leven van Kaltenbrunner te reconstrueren, `deciphering fact and fiction'.

Want John Kaltenbrunner is een held van onze tijd - een man die, na een miserabele jeugd en een korte carriere als stakingsleider bij een vuilophaalbedrijf, door zijn spectaculaire vroegtijdige dood een mythe werd. Niet voor niets wordt zijn biografie voorafgegaan door een citaat uit de anonieme `Ballad Of Stagolee', een van de vele bluessongs over een legendarische folk hero die voor de duivel niet bang was en zijn tijd- en plaatsgenoten in opperste verwondering achterliet. In de overrompelend geschreven proloog van Heer van het gepeupel ontkracht de verteller - die schrijft in de wij-vorm die we kennen uit mysterieus-melancholische romans als De zelfmoord van de meisjes (Jeffrey Eugenides) en De heilige Antonio (Arnon Grunberg) - een deel van de romantiek die de `Kaltenbrunner Kid' aankleeft. Nee, hij was niet het product van een miskraam op de wc van de trein van Chicago naar Baker. Nee, hij is niet grootgebracht door het uitschot dat een bestaan leidt tussen het afval langs de rivier. En nee, hij neukte geen geiten zat niet altijd dronken achter het stuur en was niet betrokken bij een Billy the Kid-achtige schietpartij `zoals die in de Pullmanvallei al in ruim zeventig jaar niet meer was voorgekomen.'

Hemelse croupier

John Kaltenbrunner, telg uit een geslacht van Duits-Amerikaanse boeren en mijnwerkers in Oost-Kentucky, is au fond een gewoon kereltje dat van de hemelse croupier keer op keer de slechtste kaarten krijgt. Wat voor toekomst heeft een kind op een eenouderboerderij dat telkens van iedereen te horen krijgt hoe geweldig zijn vader is? Hoe ontwikkelt zich een schooljongen die door zijn klasgenoten gepest en zijn leraren genegeerd wordt? En wat doet een puber die eerst geconfronteerd wordt met de dodelijke ziekte van zijn moeder en vervolgens moet toezien hoe al zijn bezittingen ingepikt worden door een zwerm hypocriete erfenisjagers uit de Methodistenkerk? Zo'n jongen verdedigt zijn bezit met hand en tand of liever met geladen geweer, krijgt een taakstraf als stoker op de Mississippi, keert na twaalf ambachten en dertien ongelukken als vuilnisman terug in zijn geboortestad, volgt als sociaal hervormer de voetsporen van zijn vader, zet een keten van plagen en rampen in gang en laat uiteindelijk de stad die hem verketterde achter in anarchie.

Ziedaar het levensverhaal van John Kaltenbrunner zoals opgetekend door zijn collega's van de vuilnisdienst. Maar natuurlijk is het niet alleen de aaneenschakeling van pech, vernederingen degeneratie, onrecht, drankmisbruik, verrotting en anarchie die Heer van het gepeupel tot de opmerkelijkste roman maakt die ik dit jaar gelezen heb; de wereld van de white trash in de zuidelijke Verenigde Staten is wel vaker onthutsend gedetailleerd beschreven en voor de avonturen van een jongen op drift kun je terecht bij alle groten van de Amerikaanse literatuur, van Twain tot Bellow. In Heer van het gepeupel is de belangrijkste troefkaart de stijl, de combinatie van humoristische plastiek en razendsnel voortrollende barok die zelfs een misselijkmakend stuk over oprukkend ongedierte of een lange uitweiding over de gruwelen van een moderne pluimveeslachterij tot een belevenis maakt.

Tristan Egolf is een schrijver die niet bang is voor een lange zin (de eerste van het boek beslaat al 25 regels), moeilijk of zelfverzonnen idioom een metafoor om over na te denken, een politiek incorrecte oneliner, een fantasmagorische scene, of een uitzinnige opsomming als de volgende (die de gevolgen van de staking van de vuilophaaldienst beschrijft): `Overal lag gebarsten glas, kwakken mayonaise met sigarettenpeuken en as erin theezakjes en eierschalen, groen geworden macaroni, larven in gestold vet meeuwen die aan kartonnen bordjes stonden te plukken, bosmarmotten met gebruikt maandverband tussen hun kaken, gieren die veldmuizen aten, uilen die rioolratten aten, spreeuwen die maden aten, en elke dag weer meer vliegen.' Het is aan de bravoure en de inventiviteit van vertaler Irving Pardoen te danken dat de meeste nuances van Egolfs taal ook voor Nederlandse lezers te begrijpen zijn.

Godvergeten

Proza voor weekmagigen schrijft Egolf niet, en wie een toegankelijk geschreven gevoelig verhaal zoekt met herkenbare personages, kan zijn onbeschaamd dikke (toegegeven: te dikke) roman beter dicht laten. Egolfs Amerika is een godvergeten universum waarin de moderne mens alle hoop heeft laten varen en blind rondstommelt in afwachting van de definitieve apocalyps. Dat maakt Heer onder het gepeupel tot een fin-de-millenaire-roman, somber van toon, maar gelukkig grappig en absurd genoeg om verteerbaar te zijn. Eindeloos citeren is verleidelijk, maar misschien moet de volgende passage (uit Kaltenbrunners scheldkanonnade tegen een inhalige Methodiste) volstaan: `Iedereen wist dat Jezus voor de katholieken de zoon van Maria was, voor de baptisten de Verlosser, voor de joden niks en voor de methodisten een aftrekpost voor de belasting.(-) Ook al zag ze de rest van haar leven niemand anders dan die godvrezende hypocrieten en achterlijke boeren van Greene County, dan nog kon ze erop rekenen dat er mensen waren als hij en zijn vader, die haar en haar soort kenden en verdomd goed wisten wat ze met die koudbloedige, necrofiele grafschenners en kwartjeshoeren voor vlees in de kuip hadden.'

Wie dit leest vraagt zich af wat voor debutant het is die dit soort dingen schrijft. Geheel in de Amerikaanse traditie heeft Tristan Egolf een levensverhaal dat perfect aansluit op de rauwheid en onaangepastheid van zijn roman. Hij werd geboren in Pennsylvania, groeide op temidden van kippenfokkers verliet de universiteit om gitarist te worden in een punkband, kwam als zwervende muzikant terecht in Parijs, en werd (met `blauwe voeten van de kou' volgens de legende) van straat gehaald door een dame aan wie hij een manuscript liet zien dat in Amerika door vijftig (zeventig, zeggen andere bronnen) uitgevers was geweigerd.

De vrouw bleek de dochter van Patrick Modiano, die Lord of the Barnyard liet lezen aan zijn redacteur bij Gallimard. Une etoile etait nee.

In Le monde is Egolf - na onder meer Poe en Hemingway de zoveelste Amerikaanse schrijver die eerder door de Fransen dan door zijn landgenoten wordt omarmd - al vergeleken met zuidelijke `gotici' als William Faulkner en Cormac McCarthy. In Times Literary Supplement kwamen daar de namen bij van Steinbeck en de jonggestorven humorist John Kennedy Toole (A Confederacy of Dunces). De parallellen zijn alleen al door hun verscheidenheid weinig zinvol, maar ze maken een ding duidelijk: Tristan Egolf is een onvergelijkelijk schrijver.