Zetel Veiligheidsraad

De overigens zeer lezenswaardige beschouwing van Nico Schrijver over het aanstaande lidmaatschap van de Veiligheidsraad van Nederland (NRC Handelsblad, 9 oktober) vraagt om een paar kanttekeningen.

De positie van ons land zou fundamenteel verschillen van die in eerdere perioden, allereerst omdat `de rol van bruggenbouwer tussen Oost en West sinds het einde van de Koude Oorlog veel minder aan de orde is'. Ook zijn de marges van een niet-permanent lid smal.

Dat laatste is zeker waar, maar is dat een verschil met vroeger, toen de besluitvorming in de Veiligheidsraad praktisch werd verlamd door de Oost-West tegenstelling en het ruime gebruik van het vetorecht dat daarbij hoorde? Ook nu zullen die marges smal zijn, maar misschien wel iets minder smal dan toen. En is Nederland in de tijd van de Koude Oorlog, in de VN of daarbuiten, wel een bruggenbouwer tussen Oost en West geweest? De werkelijkheid was, dat Moskou liever zaken deed met de enige mogendheid die er werkelijk toe deed en dat Washington doorgaans geen behoefte had aan vrijbuiters op dit, misschien wel belangrijkste, terrein van de Amerikaanse buitenlandse politiek.

Het advies aan de minister van Buitenlandse Zaken om niet `alle kwesties die de Veiligheidsraad voor zich heeft op te pakken', maar zich te richten op kwesties waaraan Nederland `wellicht een zinvolle bijdrage kan leveren', kan minister Van Aartsen maar beter naast zich neerleggen. Krachtens het Handvest van de Verenigde Naties belasten de leden van de VN de Veiligheidsraad met de verantwoordelijkheid voor de handhaving van de internationele vrede en veiligheid. Een lid dat bij de uitoefening van die verantwoordelijkheden om welke reden ook, selectief te werk denkt te kunnen gaan, doet daarmee afbreuk aan zijn lidmaatschap.

Ten slotte trof mij in het pleidooi voor een grotere samenhang tussen de activiteiten van de verschillende VN-instanties en een betere samenwerking met regionale organisaties, de opmerking dat hier een taak zou zijn weggelegd voor Nederland wegens zijn `grote ervaring in ontwikkelingslanden'.

Welke ervaring?

Wij mogen dan jaarlijks relatief veel geld uittrekken voor ontwikkelingssamenwerking, in absolute cijfers is onze bijdrage maar bescheiden. Wij leggen in ontwikkelingslanden dan ook niet zoveel gewicht in de schaal, en waar dat bij wijze van uitzondering wel het geval is bijvoorbeeld in Suriname, is dat nauwelijks een ervaring waaraan wij een gezaghebbende stem kunnen ontlenen.